Short Story – Science
Fiction / Fantasy :
„Het klusje op de
IJsplaneet“
Albert van der Sel
1.
Mira van Zanden was op weg naar de
Controle Kamer van de Centrale. Mira, een jonge vrouw van 25 jaar, was nu ruim
vier maanden werkzaam op Steig-6, de zesde planeet om de Oranje-Rode dwerg ster
„Steig“, op zo´n 83 lichtjaar van de Aarde.
Na een vrij lange wandeling door
verschillende zwak verlichte gangen en trappen, stond Mira voor de
toegangsdeur. Ze toetste haar pincode in het slot. De zware deur gleed sissend
open.
Mira liep door een zaaltje die behangen
was met grote beeldschermen. Achter het derde bureau stond Han. "Morge
Mira." groette Han vriendelijk. Mira stak haar hand op ten teken van
groet. Han was een echte lieverd, vond Mira.
Han was nauwelijks een humanoide Robot te
noemen. Hij leek eerder op een smalle stoomwals. Bovenop zijn torso, waren her
en der 16 flexibele armen gemonteerd. Iedere arm bevatte een keur aan
werktuigen.
Han was al meer dan 600 jaar op Steig-6,
samen met kornuit Rolf. Deze was momenteel elders aan het werk in het complex,
en had zo mogelijk een nog vreemder uiterlijk dan Han.
Mira schonk een mok koffie in, liep naar
haar bureau en ging zitten. Ze tikte een aantal codes in op haar terminal.
Vervolgens keek ze aandachtig naar de controlepanelen. Alle indikatoren waren
groen, zoals altijd het geval was, en de Centrale was dus in goede staat. De
transacties konden beginnen. De eerste stond geplanned voor over een half
uurtje.
Mira dacht terug naar de periode net
voordat ze dit baantje had aangenomen. Ze was een laatste-jaars studente
astrofysica aan de universiteit van Amsterdam. Ze had haar studie bijna
afgerond. Ze hoefde alleen nog maar één tentamen doen, en haar scriptie te
schrijven.
Op zekere ochtend, tijdens een pauze
tussen twee colleges, zat Mira tezamen met haar vriendin en collega-studente
Lanthia, aan de koffie. Lanthia was welliswaar een gezellige babbelaar, maar
wel een echt modepopje. Heel anders dan de sportieve Mira. Lanthia had geen
binding met de exacte wetenschappen, en studeerde sociology. Ze nam een teugje
koffie, met haar pink ver uitgestoken. Inwendig moest Mira wel grinneken: „hoe
hadden we elkaar toch gevonden“ peinsde Mira. Lanthia was een bijzonder slanke
meid. Bijna broos zelfs. Mira was ook tamelijk slank, maar dan meer op een
gespierde wijze, en was ook zeker een kop langer dan de kleine Lanthia. Lanthia
bladerde wat door het Faculteitsblad `De
Rode Reus´ welke toevallig hun tafelje lag. Iets trok haar aandacht. Ze had
haar oog laten vallen op een advertentie in het blad en las deze een tijdje met
een ernstig gezichtje. “Van Zanden..“ sprak ze, „Je hebt toch een saldo van het
diepste rood dat het gewoonweg schandalig is? Dan is dit mischien wel wat voor
jou. Misschien kun je wat centjes verdienen.“
Lanthia schoof het blad richting Mira.
Mira bekeek de advertentie eerst gereserveerd, maar daarna toch met een
toenemende belangstelling, daar ze (zoals zoveel studenten) last had van een
akuut en chronisch credittekort. Eigenlijk was Mira permanent blut. Goed
betaalde studenten-baantjes lagen tegenwoordig bepaald niet voor het
opscheppen. De advertentie was ergens wel interressant te noemen, en betekende
mogelijk een relatief makkelijke manier om wat credits bij te verdienen. Wat
ook zeker aantrekkelijk was, dat de aard van deze baan ook misschien wel een
periode bood om in alle rust aan haar eindscriptie te werken.
De advertentie omschreef een interim klus
van 6 maanden, namelijk een soort toezichthouders functie op de ijsplaneet
Steig-6.
Mira las aandachtig de werkzaamheden
door. Deze leken in essentie eigenlijk best mee te vallen, en niet eens zo erg
arbeidsintensief.
Het was alleen zo vreselijk ver weg.
Mira las verder: Op Steig-6 was een
volautomatische energiecentrale in bedrijf, ten behoeve van de interstellaire
vrachtvaart. Ondanks dat het een totaal geautomatiseerde Centrale betrof, was
een stabiele menselijke operator, of eigenlijk toezichthouder, een wettelijke
noodzaak. Deze tijdelijke baan was dus schijnbaar onlangs beschikbaar gekomen.
De volgende dag had Mira (na zekere
aandrang van Lanthia) zich er op in laten schrijven. Ze verwachtte toch niet om
door de selecties te komen. Immers, zouden niet talloze laatstejaars studenten
een spurt nemen op dit buitenkansje? Bovendien vond ze zes maanden op een
ijsplaneet niet al te aantrekkelijk, hoewel het geld haar wel lokte.
Tot haar verbazing werd ze een paar dagen
later al opgebeld en uitgenodigd voor een gesprek in New York, in het
hoofdkantoor van de ICO (Interstellar Cooperatieve Organization): of ze in de
gelegenheid was om morgenochtend om 10.00 op gesprek te komen. Mira, enigzins
overdondert door deze wending, had daarop impulsief „ja“ gezegd.
De volgende morgen hopte Mira op een
snelbaan naar New York. 45 minuten later was ze in de main terminal,
Rockefeller Centre, Manhattan, New York. Het kantoor van de ICO was gelegen in
New Jersey en was gemakkelijk te vinden, daar het gebouw boven alles uittornde.
Mira werd op de 193ste verdieping
ontvangen door Dr. Richard de Moine, een senior officier van de ICO. Na een
hartelijke ontvangst nam Richard plaats achter een zwaarhouten bureau, en wees
naar een stoel. Mira ging tegenover hem zitten.
Richard pakte een dossier van bureau, en
sloeg een paar bladzijden om: „ Ah ja.. dit is wat ik zocht..; Hmm eens kijken..Je
ouders wonen nog in Delft. Prachtstadje trouwens! Was ik vorig jaar nog voor
een Congres.“ Richard las verder: „Uitstekende gezondheid.. maar je doet ook
veel aan sport zie ik.. O! Astrofysikus zelfs..“ Richard knikte goedkeurend.
„Bijna astrofysikus.“ corrigeerde Mira
hem. „Ik moet nu nog wel even afstuderen. Alleen mijn scriptie moet nog“.
„Ja ja natuurlijk“ zei Richard. „Die
scriptie komt vast en zeker ook wel goed. Laten we eerst maar eens zien waar we
het hier precies over hebben.“
Richard fluisterde schijnbaar enkele
woorden tot zichzelf, maar tegelijkertijd verscheen op de rechtermuur een groot
scherm waarop de Aarde te zien was. Het beeld draaide weg en toonde de Zon.
Langzaam werd de Zon kleiner en kleiner en verdween tenslotte tot slechts een
puntje overbleef. Op het scherm was ook een rasterwerk in lichtjaren zichtbaar.
Daar verscheen de Helblauwe ster Sirius, op zo´n 10 lichtjaar. Nog verder ging
het. Nu verscheen Luytens Ster. Het beeld ging verder en verder, sterren vlogen
voorbij..50 lichtjaar.., 60 lichtjaar.., 80 lichtjaar, totdat er een eenzame
zwakke Rode dwergster zichtbaar werd: dit was Steig´s ster. Het bleek een
zonnestelsel te zijn. Op grote afstand van Steig, wentelden enkele gasreuzen.
In de binnenring waren kleinere planeten aanwezig. Het beeld zoomde in op een
blauw-witte wereld. Dit was een planeet die geheel bedekt was met ijs en
bevroren oceanen. Het beeld vertoonde nu details van het oppervlak.
Fantastische vlakke ijsbanen werden afgewisseld met grillige ijspieken en hoge
ijsruggen.
Op een vlakker stuk werd een object
zichtbaar. Het beeld zoomde verder in. Het leek alsof iemand een kubus in het
ijs had geplaatst: Dit was de Centrale.
Richard nam het woord: „Vergist u zich
niet. Het is allemaal wat groter dan het hier zo lijkt. Zowel in lengte alswel
in breedte is het een kleine 35 kilometer“. Mira was onder de indruk.
Hij pakte een aanwijsstok, en liep naar
het beeld. De stok raakte een specifieke plek aan. „Kijk.. daar zo ongeveer is
de commando centrale.. Dat is in Sectie C en daar zult u wel vaak zitten. De
aanwijsstok bewoog naar een andere plek. „Hier ziet u main storage. Daar is de
transmitter. Alles is uiteraard verbonden met wandelgangen en uitgebreide
metro-buizenstelsels. Hoewel die niet meer in gebruik zijn. Al heel lang wonen
er geen mensen meer in de Centrale. Overal binnen heerst een gemiddelde
aangename temperatuur van 20 graden.“ Richard glimlachte en zei: „Buiten is het
aanmerkelijk kouder uiteraard, zo’n kleine –30 graden.“
Nu werd Richard ernstiger: „Er is
helemaal niets en niemand op de planeet. Ook in de centrale niet, behalve dan
een paar onderhouds Robots.“ Hij keek Mira vragend aan. „U heeft enig idee
waartoe de Centrale dient?“
Mira knikte en zei: „terugkerende
vrachtschepen uit de Orion Arm krijgen hier een laatste zetje richting Aarde.“
„Exact!“ sprak Richard. „Het gaat hier om
vrachtschepen uit de vorige generatie, die nog met conventionele voorstuwing
gebruiken. Er zijn er nog, om precies te zijn, 1433 schepen onderweg die van
onze service gebruik willen maken. Daarom blijft de Centrale voorlopig ook nog
wel in bedrijf. Zoals u ongetwijfeld wel weet, gebruiken de moderne
ruimteschepen een andere aandrijfmethode, en zijn uiteraard veel sneller.
Langzamerhand worden de oude boten natuurlijk vervangen door nieuwe, en dus zal
langzamerhand de belangstelling voor de Centrale wel afnemen. Voorlopig echter,
hebben we nog werk zat.“
Opnieuw hanteerde Richard de aanwijsstok.
„En hier is dan de grote afnemer van de Centrale: de Beamers.“ Het beeld op de
muur wendde zich van de planeet af. In een geostationaire baan om de planeet,
waren een zestal staafachtige apparaten te zien. „Het lijken wel 6 balpennen
samengebonden met een elastiekje“ vond Mira.
Richard nam het woord weer: „Het enige
wat we van de kandidaat verwachten is een eindcontrole op de transacties. Ik
zal dit toelichten.“
Richard fluisterde weer enkele woorden in
de lucht, zo leek het, en op het beeldscherm leek het alsof de camera nu weer
naar de planeet stoof, de Centrale opzocht, en het gebouw binnenvloog.
Mira keek gefacineerd toe. De camera
onthulde talloze enorme zalen met energie cellen, generatoren, computer-zalen,
complexe gangenstelsel. Richard gaf bij tijd en wijlen een mondelinge
toelichting bij wat er te zien was. Na een poosje kwam het beeld tot stilstand
in de Controle kamer. Daar kwam het beeld tot stilstand en draaide het beeld
langzaam 360 graden rond zijn as.
Richard wees nu een terminal aan. Deze
kwam gedetailleerd in beeld.
„Hier ziet u de main interface. Alle
vluchtgeleidingen per schip, beschouwen we als een transactie. Als de centrale
goed is, en de lasers zijn ok, en alle energie geleidingen goed, kortom de hele
rataplan is ok, dan is dit ikoon op het scherm groen. De procedure kan dan
doorgang vinden. Het zal niet voorkomen, maar bij een rode kleur, drukt u op
deze knop..“ Richard wees nu op een forse rode schakelaar naast de terminal..
„.. en de gehele transactie wordt afgelast en de centrale plus alle besturingen
worden dan gereset..“ Richard keek Mira nu ontwapenend aan: „Dat is eigenlijk
alles.“
Nu keek Mira Richard verbaasd aan. „Maar
wat gebeurt er dan met het vrachtschip? De energie overdracht is dan niet
doorgegaan.“
Richard glimlachte. „Mevrouw van Zanden,
zo´n punt is dat nu ook weer niet. Althans voor ons niet. De
leveringsvoorwaarden zijn hier zeer duidelijk over. Trouwens, het schip vliegt
gewoon verder. Inderdaad geven de lasers het schip ´een laatste zetje´ om het
maar eens zo uit te drukken, maar belangrijker is de baancorrectie die de
lasers het schip geven. Nu ja, dan gebeurt dat later door de Centrale bij
Procyon wel. Inderdaad is er wel behoorlijk wat verlies in efficiency, maar
onoverkomelijk is dat niet.
Bovendien, de laatste 600 jaar is er
nooit“, nu zwaaide Richard met zijn handen, „en let op mijn woorden, nooit een
transactie afgeblazen. Kortom: het systeem is perfect en waterdicht.“
Mira knikte: „Wel, zo moeilijk lijkt het
me allemaal niet. Wanneer zou de kandidaat eigenlijk kunnen beginnen met het
werk?“
„We beginnen met een psychologisch onderzoek“
antwoordde Richard, „en wanneer u er gereed voor bent, kunt u zelfs nu naar het
hiernaast grenzende kantoor gaan, waar Dr. Wiesch u aan een kort onderzoek zal
onderwerpen. En wat betreft de kern van uw vraag: als alle onderzoeken zullen
lopen zoals ik verwacht, kunt u eigenlijk per direkt beginnen“.
En daarna ging het allemaal heel snel.
Slechts een week later, na een korte training, vertrok een Shuttle vanaf een
ruimtebasis op de Maan. Twee dagen later werd Mira gedropt op Steig-6. En nu
zat Mira alweer vier maanden op de ijsplaneet. Ze hoefde nu nog maar twee
maanden te gaan.
2.
Op een vrijdagmiddag, zo rond 15.00h
lokale tijd, liep Mira naar haar cabine, C237. Eerder op de dag, had een
transactie op een schip plaatsgevonden. Alles was uiteraard, zoals altijd, goed
verlopen. De Beamers hadden de baan van het schip perfect gecorrigeerd. Het
schip, „The Rim Explorer IV“ vloog nu weer in de meest optimale baan naar
Procyon, en vandaar uit naar het Zonnestelsel met eindbestemming de industriele
complexen op de manen rond Saturnus. Vandaag en het weekend, gebeurde er verder
niets meer. Er stonden de komende dagen geen schepen op het schema. Mira had
dus een paar vrije dagen in het vooruitzicht.
Eenmaal op haar kamer, kleedde ze zich om
in een trainingsbroek, een gemakkelijk shirt, en gymps. Ze draaide zich naar de
communicator en drukte een aantal toetsen. „Han, waar ben jij nu?“ De
communicator kraakte even. Toen luidde de vertrouwde stem van Han: „Hoi van
Zanden. Ik sta buiten nog even wat Kraakvaten te laden. Moet om vijf uur wel
zo´n beetje weer terug zijn in de Commando Centrale. Trouwens, rond die tijd
kunnen we Rolf ook weer thuis verwachten. Ik heb hem nog gesproken. Hij zegt
met een spectaculair verhaal thuis te komen. Nou we zullen wel zien! Hij
overdrijft namelijk nog wel eens.“
Mira antwoordde dat ze toch wel benieuwd
was naar Rolf’s verhaal.
Han sprak op zijn beurt: „En jij gaat
zeker weer een uurtje joggen? Gaan we dan met ze alle gezamelijk eten?
Over!“.
Mira antwoordde: „Jip. Zie jullie dan.
Hou Rolf uit de buurt van de koelkast. Ik maak wat lekkers voor ons. Over en
uit.“
Mira daalde met een lift af naar niveau
12C. Ze kwam uit in een lange gang. Alle gangen in de Centrale waren maar zwak
verlicht. Maar hier was ze al vaak geweest, en ze behoefde zich hier niet te
orienteren. Ze begon te rennen. Na een kwartier kwam ze uit bij een T
splitsing. De kleurcode aan de wand herkende ze al en Mira sloeg linksaf. Mira
passeerde nog een paar splitsingen. Na een minuut of 10 zag Mira een zwak licht
opdoemen wat langzamerhand sterker en sterker werd. Uiteindelijk hield de gang
op en Mira belandde op een balustrade die uitkeek op een kolossale hal. Hier pauzeerde Mira even, en keek over de
rand. Dit was zaal E1. Er waren vier van dergelijke zalen in de Centrale. Uit
schema´s van de Centrale wist Mira dat E1 in omtrek gemakkelijk 4 km bedroeg.
In het midden van de zaal liepen duizelingwekkend brede pijpen naar even
duizelingwekkende diepten, de planeet in.
Mira begon weer te rennen, en liep de
ronde langs de balustrade, totdat ze weer bij de gang uitkwam. In een rustig
tempo rende ze dezelfde weg weer terug.
Aangekomen in de Controle kamer, zag Mira
Han in rusthouding zitten. Dat kon ze zien omdat Han´s zestien armen inelkaar
gewikkeld waren.
En Rolf was er zelfs ook al. Rolf was een
Robot zoals er in het bekende Universum maar een paar van gebouwd waren. Hij
was nog het beste te vergelijken met een regenworm van circa 9 meter lengte en
gemiddeld 75 cm breed. Zijn exo-skelet was van het meest flexibele en geharde
terkoniet staal. Mira had Han ooit wel eens horen zeggen dat de ontwikkeling
van Rolf (meer dan 1100 jaar terug) toen al het onvoorstelbare bedrag van
zeven-honderd-miljoen credits had gekost.
Rolf kon zich naar believen verdikken en
verdunnen. Toen hij Mira in de gaten kreeg, wond hij zich ter begroeting half
om Mira. Han brulde: „Rolf, koest! Zo kan hij wel weer.“ Tegen Mira zei Han:
„Ik denk dat onze huisworm honger heeft en wel wat olie lust.“
Dit leek Mira ook overduidelijk het geval
te zijn. Robots uit deze klasse konden praktisch alles, maar vonden het
kennelijk prettig om door mensen „gevoerd“ te worden. Mira lachte, en
verwisselde bij Rolf een tweetal energie-cellen, en gaf hem ook 2 liter
terkoniet olie, wat bij Rolf bijzonder enthousiast ontvangen werd. Daarna
maakte Mira voor haarzelf een pizza klaar.
Even later zaten ze met zijn drietjes
rond de centrale tafel.
Rolf was reeds aan het vertellen: „.. ik
was helemaal aan de Noordkant bezig met inspecties en wat kleine reparaties,
toen ik die enorme inclusie in het ijs ontdekte. Dat beviel me helemaal niks!“
Rolf draaide zijn puntige snoet van Han naar Mira om de ernst van het betoog te
benadrukken. Rolf vervolgde:
„Ik maakte natuurlijk eerst de inspectie
van Noord af, en ging toen weer terug naar de inclusie. Ik besloot om het gat
in te gaan. Onnodig te zeggen dat dit erg riskant was natuurlijk, maar we
moeten toch weten waar we mee te maken hebben, niet? In dit soort gevallen telt
het persoonlijke belang niet.“
Mira vroeg: „Rolf, wanneer was je daar
voor het laatst dan?“
Rolf keek even naar Han, en antwoordde:
„Dat zal zo´n drie weken terug zijn denk ik. Toen was dat gat in er ieder geval
nog niet. Ben daar absoluut zeker van!“
Han had kennelijk hierop het Mainframe
geraadpleegd, want hij sprak ietwat belerend tegen Rolf: „je bent woensdag
vertrokken naar de Noordkant, en vandaag weer terug. Maar volgens schema had je
dit vorige week al moeten doen.“
Rolf draaide met zijn snoet en gaf als
weerwoord: „Je hebt een Zuidkant, Westkant, Oostkant, Plafond, zelfs een
Onderkant, en inderdaad ook een Noordkant, en niet te vergeten alle andere
kanten. Wat weet dat maffe Mainframe nu van hoe je het meest efficient je
rondes moet maken? Dat is praktijk kennis, en kan je alleen middels ervaring
opdoen.“
Mira stak bezwerend haar handen omhoog:
„Jongens, kalm nu!“ Mira draaide zich nu naar Rolf. „Rolf je zag dat gat dus.
Ben je toen inderdaad daarin gegaan?“
„Jazeker!“ antwoordde Rolf, en hij
projecteerde daarop een video op de tafel. De opnamecamera bevond zich
kennelijk in de snuit van Rolf. Mira keek verbijsterd toe. Ze had min of meer
een soort scheur verwacht, zoals bij een natuurlijke oorzaak het geval zou
zijn, maar dit was een mooi rond gat. Mira zag Rolf het gat binnengaan. Hij had
zich direkt al enkele tientallen meters laten zakken, en pauseerde toen even om
de wand van de schacht nauwkeurig te inspecteren: Deze was perfect glad.
Nu was Mira helemaal uit het lood
geslagen. „Han, zie je dat?“ zei ze met overslaande stem. Han knikte:
„Buitengewoon.. wat is er hier aan de hand zeg!“
Rolf vervolgde de video. Kennelijk liet
hij zich nu meteen maar enkele honderden meters zakken, want Mira en Han zagen
een poosje de schachtwand met hoge snelheid voorbij schieten. Af en toe stopte
Rolf om de wand te bekijken. Rolf denderde vervolgens steeds dieper af. Toen,
plotseling, zagen Han en Mira een heftige wenteling en woeste bellen: Rolf was
aan het einde van de schacht belandt, en een oceaan ingeduveld. Hier hield dus
eenvoudigweg de ijskap op.
Toen zette Rolf de video uit, en zei: „Ik
ben daar nog een poosje rondgezwommen. Er was niks te zien op de radar. Nou,
dat is het verhaal.“
Mira keek vragend van Rolf naar Han. „Ik
dacht dat we op een ijskap op land zaten. Maar zitten we dan eigenlijk op een
ijskap boven een Oceaan?“ Han zwaaide ontkennend met een van zijn zestien lange
armen, en zei: „Nee. Op die diepte is klaarblijkelijk onlangs het ijs
gesmolten.“ Han wendde zich tot Rolf: „heb je toevallig nog gemeten hoeveel
water er stond?“. Rolf gaf antwoord: „Toevallig wel inderdaad. Er stond vanaf
de onderkant van de ijskap tot de bodem zo´n 150 meter water. Zoals ik eerder
zei: ik ben nog een poosje rondgezwommen. Op de bodem lag alleen de
gebruikelijke rommel als stenen en zo, en op mijn radar kon ik niks bijzonders
ontdekken.“
Een poosje zaten de drie vrienden
zwijgend te staren. Wat Mira niet wist, is dat Rolf en Han via een netwerk,
gezamelijk zeer druk bezig waren om verschillende databases te raadplegen. Niet
alleen op Steig-6, maar Rolf had zoveel data vergaard (wat niet op de video te
zien was, zoals samples van de schacht), dat verschillende lab´s op Procyon en
Eridani nu reeds bezig begonnen waren met component analyses. Misschien dat dit
nog wat zou opleveren. Mira dacht natuurlijk ook na. Haar verblijf was tot nu
toe, relatief ongecompliceerd geweest. Eigenlijk had ze een luizenbaantje.
Maar nu was er een mysterie in haar
bestaan op Steig-6 gedrongen. Mira was er van overtuigd: ze waren niet alleen
op de planeet. Uiteindelijk verbrak Mira de stilte met een vraag: „Wat denken
jullie: wilde iets, of iemand, naar binnen of naar buiten?“
Han antwoordde direkt: „Naar buiten. Het
meest voor de hand liggende scenario is dat ´wat heets´ zich naar boven heeft
geboord. Er lag aan de oppervlakte immers geen berg ijsschilfers.“
Rolf zei: „Het is anders nogal wat om je
door ruim 2km ijs te boren. Wie dat gedaan heeft moet wel een pittige
mannetjesputter zijn.“
Han ondernam actie en sprak: „Laten we
kijken wat ons mainframe kan vinden.“ En zo liep, reed, en kroop het drietal
naar een terminal. Han tikte een poosje op een aantal toetsen. Er werd nu een
scan door de gehele centrale geactiveerd. Niet veel later was de scan gereed.
Rolf zei: „Nog geen dooie muis..“. Han
gaf antwoord: „Hier binnen hebben we inderdaad niks. Eigenlijk zitten we alleen
met een onverklaarbaar gat. Laten we de Centrale op alarmfase ´geel´ zetten, en
dan kijken we morgen weer verder.“
3.
De volgende morgen ontwaakte Mira met een
hele serie van onbestemde gevoelens. Ze bleef een poosje liggen. Uiteindelijk
hees ze zich overeind, en bleef een tijdje op haar bedrand zitten.
De Rode zon „Steig“ verscheen aan de
horizon van de ijsplaneet Steig-6.
Vrijwel ogenblikkelijk verdreven een heel
spectrum van blauw-purperen schitteringen de nacht.
Vanuit het raam van cabine C237 (haar
woonruimte in het energiecomplex, zo te zeggen) keek Mira naar buiten. Allerlei
grillige lage en hoge ijspieken vormden een facinerend gezicht, vond Mira.
Ze
prakkezeerde: „Wat zat ze toch een duvels eind van de
Aarde. Hier zat ze dan, op een verre gure ijsplaneet.“
Mira schudde het hoofd. Ze begreep ook
dat ze eenvoudigweg gewoon bang was. Ze realiseerde zich echter ook, dat er nog
geen enkele aanwijzing was voor een direkt gevaar. Alleen dat malle gat was er.
Maar er was iets uitgekropen. Dat moest wel. Wat kon het anders zijn?“
Bovendien waarschuwde haar instict haar: er was iets afschuwelijks in de buurt.
Daar kon ze helaas bij Han en Rolf niet mee aankomen.
Mira herrinnerde zich de woorden van Dr.
de Moine: „… Er is helemaal niets en
niemand op de planeet...“
„Dat hadden die lui van het ICO goed mis
zeg. Wat waren dat een Dwazen!“ dacht Mira. Ze nam een hete douche, kleedde
zich aan, en ging op weg naar de controle kamer.
In de controle kamer waren Rolf en Han
druk aan het beraadslagen. Op een tafel lagen zeer gedetailleerde blauwdrukken
van de Centrale. Schijnbaar hadden ze niet eens in de gaten dat Mira was
binnengekomen. Mira zag dat Han aan twee van zijn armen pulsgeweren had
gemonteerd.
Mira vond dat veelzeggend. Rolf had
kennelijk geen wapens nodig, of had er geen belangstelling voor.
Mira interrumpeerde hun gesprek: „Hebben
jullie misschien al een plan?“
Han deed het robotiaanse equivalent van
het schrapen van zijn keel. „In grote lijnen wel“ sprak Han. „Rolf gaat terug
naar de Noordkant en doet ditmaal een uitgebreid sporen onderzoek. Ik ga eerst
naar het dak, en werk vandaaruit mijn weg terug naar onder. Ik ben van plan
alles te bekijken.“ Rolf zei: „We hebben zojuist het mainframe weer een scan
laten uitvoeren. Binnen is echt niks, en hier ben je veilig.“
Mira dacht na: „konden de meest
geavanceerde robots werkelijk zo dom zijn?“ Ze zei op onschuldige toon: „Dus
jullie hebben weer een scan gedaan, en er is niks te zien? Wat voor een scan is
dat dan eigenlijk?“
Rolf stak verbaasd zijn snoet in de
lucht: „Nou gewoon, een zeer gedetailleerde scan. Er is echt niks op te zien.
Geen zorgen Mira!“
Mira ging verder: „heeft deze scan nog
een voorvoegsel, om het type scan nog nader te specificeren, zoals puntje-puntje-puntje-scan ?“
Rolf antwoordde: „Tuurlijk! bio-scan...
Oh.. Donders Han! We kijken alleen naar levensvormen!“ Han beaamde de
stommiteit. Hij overwoog een poosje de nieuwe situatie en zei tenslotte: „Toch
zie ik geen goede reden om ons plan te wijzigen.“ Hij richtte zich tot Mira:
„Rolf en ik gaan zodirekt aan de slag. Kun jij aub in Sector C blijven? Todat
we terug blijven. Zo kon toch wel iets doen?
Han betoogde: „We hebben ook oren en ogen
nodig in de commando kamer.“
Rolf zei: „We houden onze transponders
aan. Kun je altijd precies zien waar we zitten.“
Een aantal uren waren voorbij gegaan
sinds Han en Rolf waren vertrokken. Mira zat alleen in de controle kamer. Ze
voelde zich nerveus en nutteloos. Af en toe keek ze op een groot scherm. Twee
stippen op het scherm waren van groot belang voor Mira. Dit waren immers haar
twee vrienden. Mira zag Han op het dak van de Centrale. Hij voerde zig-zag
bewegingen uit. Een andere stip was aan de Noordkant zichtbaar. Dat was Rolf.
Hier was nauwelijks beweging waarneembaar, wat ook te verwachtten was..
Mira had niks te doen, wat haar danig
ergerde. Ze wandelde naar een andere terminal, en logde aan in de centrale
database. „Eens kijken..“ peinsde Mira. Als zoekwoord voerde ze in: „wapen
bewaarplaats“.
De query werd uitgevoerd. Het resultaat
verscheen op het scherm.
Er was inderdaad een wapenkast in de
controle kamer aanwezig . Dit was kast DE004. Er zouden drie pulsgeweren en
drie pulspistolen in moeten liggen. „Han had twee geweren mee, dus moest er nog
een geweer in de kast zijn..“
Achterin de kamer, ontdekte Mira kast
DE004. Zoals wel te verwachtten was, was DE004 meer een kluis dan een kast.
Mira probeerde haar algemene toegangs
pincode op het slot. Tot haar verrassing gleed de deur open. Mira keek naar de
inhoud. Inderdaad stond in een rek nog een pulsgeweer. Mira zag ook drie
gevulde holsters hangen, met pistolen. Mira pakte het geweer uit de kluis. Het
was lichter dan ze gedacht had. Mira liep peinzend naar het midden van de
kamer, en hield toen haar pas in. Eerst had ze graag het wapen willen hebben,
maar nu ze het eenmaal in handen had, voelde ze zich enigzins belachelijk. „Wat
moest zij in de gegeven omstandigheden met een geweer..? Dat kon waarschijnlijk
meer kwaad dan goed..“ dacht Mira.
Na enige aarzeling legde Mira het geweer
weer terug. Ze liep weer naar de terminal. Mira had nu een ander idee. Ze
voerde een nieuwe zoekterm in: „shuttle“.
Er verschenen nieuwe resultaten op het
scherm. Mira las deze met grote aandacht. Er was inderdaad een reddingscapsule
aanwezig. Dat herrinnerde Mira zich ook nog van de Training op Aarde. De
machine stond in Sectie F. Mira dacht na: „.. De centrale bestaat ruim 600
jaar. Goede kans dat de shuttle nooit gebruikt is geweest. Had iemand er ooit
wel eens naar omgekeken..?“ Hoewel haar
vrienden aangedrongen hadden dat Mira in Sectie C zou blijven, leek de controle
van de shuttle een legitieme taak. Ze twijfelde nog. Wat waren de risico’s? Wat
kon het opleveren? Op dat ogenblik haatte Mira haar eigen besluiteloosheid.
Gefrustreerd sprak ze hardop: „Ben ik dan werkelijk zo’n trut? Natuurlijk is
het hartstikke belangrijk om te kijken hoe de shuttle er bij staat.“ Hierna
voelde Mira zich wat beter, en besloot om op pad te gaan.
Ze wierp nog een laatste blik op het
scherm met de locatie van haar vrienden: Han was inmiddels twee etages
afgedaald, en Rolf was nog steeds op dezelfde plek in Noord.
Mira sloop stilletjes als een muis door
een donkere verbindingsgang die vanuit C naar Sectie D leidde. Haar einddoel
was Sectie F en dat was nog een heel eind te gaan. Ze was dankbaar voor haar
zachte soepele gymps, want die maakten geen geluid. Mira was dan ook niet van
plan om op te vallen. Misschien trok ze anders de aandacht van het Monster. Ze
huiverde: voor het eerst had ze onbewust de associatie gemaakt van het raadsel
met een Monster. „Wees toch rationeel meid“ wees Mira haarzelf terecht, „Er is
nog niets vastgesteld.“ Ze liep verder. „Sectie D moest nu toch dichtbij
zijn.“, dacht Mira. Vrij plotseling doemde een schot op die de weg naar sectie
D versperde. „Shit!“ dacht Mira. „Maar misschien komt dit wel door alarmfase
geel, die Han gisteren had doorgevoerd“. Mira betastte het schot: puur
terkoniet staal. Mira liep nu naar het slot, en voerde haar pincode in. Er gebeurde
niets. Ze probeerde het nogmaals: weer gebeurde er niets. „Dit is gewoon niet
logisch..“, dacht Mira, „..tenzij..“ Een hypothese ontwikkelde zich in haar
geest: had Han misschien de codes in C gewijzigd zodat hij er van op aan kon
dat Mira Sectie C niet uit kon? „Als dat toch waar was zeg!“ dacht Mira
geirriteerd. Ongetwijfeld zou dat met de beste bedoelingen gedaan zijn, maar
Mira kon het niet uitstaan: „Zoiets moest je gewoon zeggen!“
Mira analyseerde deze tegenvaller. Een
pincode bestond uit zes alfanummerieke tekens. Gewoon gokken is natuurlijk
uitgesloten. Mira pijnigde haar hersens. Ze had haar kommunikator bij zich: ze
kon zo Han oproepen en vragen naar de pincode. Op de een of andere manier wilde
Mira dat nu juist niet doen. „Zou Han weigeren de pincode te geven?“, vroeg
Mira zich af.
Hoe werkt een robotbrein in zo’n
situatie? Onthouden is voor een robot juist het makkelijkste wat er is, in
tegenstelling tot mensen, die juist een voor hun herkenbaar patroon in de pin
willen hebben. Maar voor een robot onderscheid geen enkele set van zes tekens
zich van alle andere mogelijkheden. Maar.. Han en Rolf hebben bijna menselijke
cognitieve vaardigheden. Had Han gewoon een randomizer een pin laten genereren,
of was een hem bekende string voor de geest gekomen?
Wat zou in dat laatste geval, dan een
kenmerkende string kunnen zijn, die ook nog eens precies zes digits lang is?
Mira prakkezeerde verder: „de galactische
coordinaten van Steig misschien? Nee.. teveel digits. Zijn productie datum?
Of..“ Mira kreeg een inval: voor een AI robot was zijn serienummer zoiets als
een geboortedatum. Het viel te proberen. Maar hoe kon ze Han’s serienummer te
weten komen? Of beter gezegd: opvragen?
Mira pakte haar communicator, en logde in
op het Mainframe. Zonder veel moeite kreeg ze Han’s serienummer boven water.
Het waren inderdaad 6 digits. Met haar rechterhand toetste Mira de tekens in,
die ze las van de communicator in haar linkerhand. Het schot schoof
ogenblikkelijk opzij. Mira grinnikte triomfantelijk: „Rare ijzerpot. Hier heb
ik je toch te pakken.“
4.
Terwijl Mira voorzichtig sectie D
binnensloop op weg naar F, had Han nu de bovenste vijf etages en het dak
gescanned. Zijn instumentarium besloeg onder meer: bewegingsdetector, radar,
geluid, infra-rood, en andere thermische waarneming. Bovendien had Han een
permanente en synchrone sessie lopen met het Mainframe, die het closed video
circuit aanstuurde en de beelden van de gewone bewakingskamera’s kon
analyseren. Alle eventuele opmerkelijke optische gebeurtenissen zouden door het
Mainframe direkt aan Han doorgegeven worden.
Tot zover nog niks bijzonders. Han nam
een van de vele liften naar de
direkt onder gelegen etage. Hij rolde de
lift uit. Deze verdieping vormde het dak van de vier E zalen, die het hart van
de Centrale vormde.
Hier lag ook de link naar de transmitter,
die de geostationaire lasers voedde. Voor een „buitenstaander“ met enig
technisch inzicht, moest dit wel een erg interressante locatie zijn. Hier
werden Terra Watts gebundeld en verder geleid. Han stond dan ook op scherp. Hij
had zich grote zorgen gemaakt om zijn vrienden. Om Rolf eigenlijk niet eens
zozeer, want dat was een omgebouwde, extreem dure, Klasse A vechtrobot. Rolf
was destijds aangekocht door het ICO tbv allerhande veeleisende en gevaarlijke klussen
in de Centrale, die Han nooit zou kunnen klaren. „Rolf was praktisch
onverwoestbaar.“ dacht Han. Gelukkig had hij wel het meisje veiliggesteld in
Sectie C. Hij had dit welliswaar stiekum gedaan, en de code van de schotten
gewijzigd, maar Mira had een ondernemende geest, en Han wilde geen risico’s
nemen. Die kon nu tenminste niet weg, veilig ingesloten door terkoniet
staal.
Er was inderdaad iets bijzonders met het
meisje. Han had in de meer dan 600 jaar dat hij in de Centrale werkzaam was, al
tientallen toezichthouders zien komen en gaan. Er was met geen van de
voorgangers, zo’n goede relatie geweest als met Mira. Han vond het enorm jammer
dat Mira maar voor een periode van zes maanden de functie van toezichthouder
had aanvaard. Mira had wel eens gegrapt: „Mijn volgende baan is op een
tropische planeet, met een Centrale direkt gelegen aan strand. Natuurlijk neem
ik jullie dan mee.“
Terug naar het nu en de logica.
Han redeneerde als volgt: „Iets was vanonder een enorme ijskap naar boven
gekomen, misschien getriggerd door het gesmolten ijs. Dit feit alleen al
vertegenwoordigde een enorme kracht of macht. Voorts had het Mainframe geen
aanwijzingen gevonden van de aankomst of vertrek van een ruimteschip. Ook waren
er geen zichtbare sporen in de nabijheid van het gat. Tenslotte: Steig-6 was
een ijsplaneet. Er was helemaal niets op Steig-6. Het enige object van
interresse was de Centrale. Ergo: de entiteit, zij het van organische- of van
positronische oorsprong (of van welke oorsprong dan ook), was nog aanwezig en
scharrelde ergens rond of in de Centrale.“
Han kreeg plotseling een oproep van het
Mainframe: de kamera’s hadden een ongebruikelijke optische activiteit
gesignaleerd in Zaal E3. Dat was hier loodrecht onder, realiseerde Han zich.
Han kreeg nu de beelden door van het Mainframe. Han keek gefacineerd naar de
live opname in zaal E3. Er was maar weinig verlichting in de zaal. Bovendien
zorgde de vele uitgestalde apparatuur ook voor een groot aantal schaduwplekken.
Toen opeens zag Han het: een blauwe bol (Han schatte iets van 4 meter in
diameter) maakte zich los van het sluitstuk rond de transmitter, en zweefde
langzaam naar de vloer. Eenmaal op de vloer, leek de bol een poosje te
pulseren. Han keek ongelovig toe, toen de bol zich langzaam verdichtte, en er
een lange zwarte gestalte zichtbaar werd. Han zag een wezen van circa 2,5 meter
lengte, met een vreemd bol voorhoofd boven diep gelegen oogkassen. Er was geen
neus zichtbaar. Een brede mond gaf de nieuwkomer een erg onaangenaam voorkomen,
vond Han. Er hingen vier armen aan het torso, eindigend in klauw-achtige
handen.
„Wat ter wereld was dit?“ vroeg Han zich
af. Hij kreeg een idee. Hij vroeg het Mainframe om een grafiek van energie
geleiding door de transmitter van het afgelopen uur. Vrijwel direkt verschafte
het mainframe de gevraagde informatie: Han zag in de grafiek dat er de eerste
25 minuten een normaal vermogen getransporteerd werd. Daarna zakte de grafiek
abrupt in tot 25% van normaal, gedurende 15 minuten, om daarna weer terug te
keren naar normaal. Han rekende dat uit. Het ‚gestolen’ vermogen bedroeg
ongeveer 700 GigaWatt. Han schrok: dit was werkelijk ongelofelijk! Het wezen
leek een poosje uit te rusten, althans zo leek het Han, want het bleef een
tijdlang bewegingsloos staan.
„Zou het zin hebben om contact te maken?“
vroeg Han zich af. Het was wel duidelijk dat er hier sprake was van een
intelligente entiteit. Han bleef vooralsnog het wezen observeren.
Plotseling kwam het wezen in beweging.
Met een snelle beweging glipte het wezen in de schaduw van een aggregator.
Han vroeg zich af: „Waarom had het wezen
deze reaktie vertoont? Was het zich bewust geworden dat het geobserveerd werd?“
Kort daarna werd de reden van de reaktie van het wezen duidelijk. Han was in
zijn hele bestaan nog nooit zo erg geschrokken geweest, dan door wat hij nu
zag!
Daar liep Mira langs de wand! Af en toe
bleef ze staan, keek dan achterom, wachtte kort (kennelijk om te luisteren), om
daarna heimelijk haar weg te vervolgen.
Han was verbijsterd: Wat deed ze daar?
Waar ging ze naar toe? En hoe had ze uit Sectie C weten weg te komen?
Han wist dat de situatie nu dramatisch
veranderd was. Hij had graag het wezen nog langer willen observeren, maar nu
was er sprake van een mogelijk dodelijk gevaar. Dit werd kort daarop bevestigd
doordat het wezen zich in spring houding posteerde, zoals een panter haar prooi
aanvalt. Hij moest nu wel handelen! Han spoedde zich so snel mogelijk naar de
lift, en daalde af naar zaal E.
De liftdeur zwaaide open. Het had nu geen
zin meer om stil te zijn. Integendeel zelfs ! Hij moest zo snel als mogelijk
was, de aandacht van het wezen van Mira afleiden. Als hij maar niet laat was.
Han reed met hoge snelheid door zaal E4.
Bij een hoge aggregaat, scheurde hij rechtsom en toen zag hij in de verte Mira
staan. Ze draaide zich verschrikt om. Han knipperde met zijn lichten en zette
zijn stem op de luidspreker, op maximaal volume. Zijn stem galmde door de zaal:
„Mira! Wegwezen! Het wezen stapte nu uit de schaduw. Het wezen stond tussen Han
en Mira, maar had zich gekeerd richting Mira. Het wezen hief de klauwen omhoog
en schreed doelbewust richting Mira.
Han zag Mira verschrikt inkrimpen bij
deze aanblik, en zij strompelde langzaam achteruit. Het wezen was bijna bij
Mira. Han aarzelde niet: hij kon geen risico nemen. Hij richtte beide
pulsgeweren en vuurde een salvo. Het waren voltreffers. Waar Han al bevreesd
voor was, werd bewaarheid. Het wezen kreeg
welliswaar een flinke duw, maar was klaarblijkelijk
ongedeerd gebleven. Han brulde opnieuw: „Mira rennen! Nu!“ Eindelijk zette Mira
zich in beweging en rende richting Sectie F.
Het wezen keerde zich naar Han. Uit de
diepliggende oogkassen leek een stroom van Haat naar Han te vloeien. Han wist
het zeker: dit was geen normale organische
intelligentia. Het was ook geen robot. Hij moest het
Ding nu trachtten te vernietigen, wat het ook zou kosten. Han zette de
pulsgeweren op maximaal en bleef vuren. Plotsklaps een blauwe schicht, gevolgd
door een oranje spetterregen. Han was getroffen en explodeerde.
5.
Mira rende zo hard als ze kon door zaal
E3. Ze was al bijna bij de gang die naar Sectie F leidde. Plotseling was er een
lichtflits gevolgd door een enorme knal. Een drukgolf smeet haar op de grond.
Ze krabbelde op en keek naar de plek waar Han en het Ding hadden gestaan. Ze
trilde over het gehele lichaam en begon te huilen. Daar waar Han had gestaan,
lag alleen nog maar een brandend wrak, en brokstukken verspreid over de vloer.
Haar vriend was vermoord!
Totaal overstuur rende ze de gang in. Ze
graaide naar het slot om de code in te ponsen die het luik zou sluiten. Ondanks
trillende vingers kreeg ze het toch voor elkaar. Terwijl het schot dicht gleed,
kon ze nog net zien dat het Monster nu haar richting opkwam. Het schot was nu
dicht. Mira begon in de gang weer te rennen richting Sectie F. Na een paar
honderd meter, stortte ze in. Het was volstrekt ondraagelijk, en ze huilde vreselijk. Han had alleen
maar geprobeerd om haar te beschermen. Nu was hij dood.
Ze zat op de grond. Haar geest was leeg.
Alles in haar trilde: ze kon het niet stoppen. Tenslotte viel ze om. Ze begon
over te geven. Mira wist zich na een poosje iets op te richten. Een eind
verderop in de duistere gang, verscheen een zwakke blauwe gloed. Ze wist meteen
wat het was: „Hij komt door het schot!“ gilde ze uit. Verdriet maakte plaats
voor angst. „Weg van hier!“, schreeuwde
het in haar brein. Ze sprong op en begon weer te
rennen. Na een halve kilometer bereikte Mira een T splitsing. Hijgend sloot ze
ook hier het luik af. Linksaf ging het naar G, rechtsaf ging het naar F. Ze
spurtte naar rechts. Deze gang maakte een flauwe helling omhoog. Na een paar
honderd meter stopte ze abrupt. Ze had zich plotsklaps iets gerealiseerd: „Zij
en Rolf moesten weg met de Shuttle. Ze moest direkt Rolf bellen!“ Mira draaide
zich om: er was nog niks te zien. Met gespannen zenuwen drukte ze op een aantal
toetsen op haar communicator.
Rolf was nog steeds buiten bij Noord. Hij
had het onderzoek afgerond en aardig wat gegevens verzameld. Wellicht dat Han
er iets mee kon. Hij staarde een tijdje over een ijsblauwe vlakte. In de verte,
een paar kilometer verderop, was een hoge
ijsrug zichtbaar. Hij was daar vaak voor de lol vanaf geroetst. Een pracht rit. Zijn
communicator ging af. Rolf hoorde een schrille stem. Dit was Mira, wist Rolf,
maar hij kon het niet goed verstaan. Was het meisje in de war?
„Mira, nog een keer alsjeblieft. Ik
versta er echt helemaal niks van!“ Rolf spande zich in om Mira te begrijpen.
Uiteindelijk begreep hij uit de stamelende woorden, twee zaken: Hij moest
direkt naar de shuttle komen en Han was gedood door het Ding. Rolf wist alleen
nog maar te antwoorden, dat hij eraan kwam.
Zijn makker was dood? Rolf voelde iets
klikken in zijn kop. Er gebeurde iets met hem, maar hij wist niet direkt wat
het was. Het normale bewustzijn van Rolf werd toen abrupt uitgezet. Een
militaire module werd opgestart. Een ogenblik later was de controle geheel
overgenomen: het hele proces had slechts een paar tienden van een seconde in
beslag genomen.
De meest afschuwelijke torpedo die Aardse
technici ooit hadden weten te produceren, was nu klaar voor actie. Eenvoudige
begrippen voerden nu de boventoon: positie’s van vriend en vijand, en de meest
optimale route naar de vijand, waarbij vriend gespaard moest blijven. Een
sessie met het Mainframe verschafte de benodigde gegevens.
Rolf sprong door de muur, en breekte zijn
weg naar één van de vele metrobuizen, die allemaal met elkaar verbonden waren.
Na 7 seconden bedroeg zijn snelheid al 800 km/u, fracties daarop 1500 km/u, en
hij raasde door naar 3000 km/u. Een gierende wit-gloeiende fakkel knalde door
de tunnel. Het zou alles versplinteren op zijn baan. Mainframe corrigeerde
continu het traject. Teneinde maximale impact te bewerkstelligen, en „vriend“
te sparen, moest Rolf eerst helemaal naar Zuid, diagonaal en klimmend
doorbreken naar West-Zuid, daarna 90 graden draaien, en vervolgens doorgieren
naar het doelwit. De conus van impact was dan tenminste van Mira wegggericht.
Nu was het tenminste weer rechtdoor. Rolf accelereerde maximaal, en legde 30km
af in 20 seconden. Mainframe gaf de laatste posities door, en wisselde Rolf
naar zijn laatste metrobuis. De afstand tussen Mira en de vijand was 600 meter.
Dat moest genoeg zijn, hoewel de impact op de vijand verschrikkelijk zou
worden. Na de laatse correctie was Rolf perfect gericht op de vijand. Hij
accelereerde naar 3000 km/u, en had nog een kleine 3 km te gaan.
Mira was nu in de shuttlezaal aangekomen.
Ze vond de lichtknop en schakelde het licht aan. Bovenaan, op een soort
skischans, stond de Shuttle.
Een lift bracht haar boven. Mira zag dat
dikke lagen stof de Shuttle bedekte. Daar waar de sluis ongeveer moest zitten,
veegde ze het stof weg. De toegangssluis werd zichtbaar.
Ze greep een verzonken hendel. Zacht
sissend ging de sluis open. Ogenblikkelijk stapte Mira de Shuttle binnen. Mira
zag een laadruimte, en liep door een korte smalle gang naar de cockpit. Er
waren 4 stoelen: twee zitplaatsen aan de zijkanten van de cabine, en twee aan
de voorzijde, bedoeld voor piloot en co-piloot.
Ze sprong in de pilotenstoel. Mira bekeek
haastig het instrumenten paneel. Ze haalde een tweetal schakelaars over, en de
instrumenten kwamen tot leven. Op een beeldscherm, recht voor de piloot,
verscheen een afbeelding van de Shuttle, met een knipperend gevarensymbool.
Daaronder was te lezen dat de Shuttle nog vergrendeld was met clamps. Deze
moest ze buiten ontkoppelen. Mira sprong uit de sluis, en vond het mechanisme
om de klemmen los te halen. Even stond ze stil, want de vloer leek zachtjes met
een hoge frequentie te resoneren. Daarop hoorde ze een in de verte een enorme
knal. De zaal schudde, en de schans schommelde even vervaarlijk, maar kwam kort
daarop weer tot rust. Mira had geen idee van de oorzaak, maar peinsde er verder
ook niet meer over. Haar plan stond allang vast: „Shuttle losmaken, opstijgen,
Rolf oppikken, en wegwezen naar Procyon..“
Kort hiervoor naderde Rolf gierend het
einde van deze metrobuis. Vlak hierachter liep de vijand. Het eindpunt was een
station uit de tijd dat de centrale nog door mensen bevolkt werd. Een
ondeelbaar moment later vervaagde het station, een plasmabol ontstond. Muren en
alle andere geraakte materie desintegreerde en werd deel van het schokfront.
Ergens verderop barste een buitenmuur van de Centale open, en een paarswit gekleurde
vuurtunnel spoog razendsnel naar buiten, groeide wel tot twee kilometer lang.
Een witheet lansvormig object vloog nog een tiental kilometers door, minderde
langzaam maar zeker vaart, en daalde allengs naar het oppervlak. Het ketste
vervolgens tientallen malen over een ijsvlakte. Daar waar de lans het oppervlak
had geraakt, ontstonden enorme stoom en ijspluimen.
Daarna raasde de lans over het ijs, en
pas na nog eens 5 kilometer kwam het tot stilstand. Rolf lag stomend op het
ijs, en kwam langzaam bij. Eerst vond een elementaire check plaats op de meest
essentiele functies. Daarna groeide langzaam het bewustzijn, totdat de oude
Rolf weer bij was. Zijn fraaie snuit was weg, en zijn exoskelet was een
halfgaar zooitje. „Wat een klap was dat!“ dacht Rolf, ondanks alles, in een
opgewekt stemming. Zo’n grandioze mokerstoot had hij nog nooit uitgedeeld!
Hij schudde de geblakerde restanten van
het exoskelet van zich af. „Maar wat nu?“ dacht Rolf. Hij zag in de verte de
kubusvorm van de Centrale. Toen wist Rolf ook gelijk wat hem te doen stond. Hij
nam contact op met het Mainframe en gaf zijn positie en status door. Het
Mainframe had ook nieuws voor Rolf: de indinger was hoogstwaarschijnlijk
vernietigd, en Mira stond op het punt om op te stijgen. Het Mainframe had
voorts, waar nodig, de blusinstallaties geactiveerd: De Centrale was welliswaar
gehavend door de actie van Rolf, maar niet op kritieke punten beschadigd en kon
zelfs normaal in bedrijf blijven.
Mira was zojuist met de Shuttle
opgestegen. Ze vloog nu rond het gebouw. Ze zag een enorme scheur aan de
Noordkant. Voordat ze zich hierover kon verbazen, plaatste het Mainframe een
boodschap op haar beeldscherm.
Mira keek haar ogen uit! „Grote Goden..!“
riep ze uit, terwijl ze las dat Rolf als een torpedo had gewerkt en op die
wijze de Indringer had vernietig, en door de Centrale was gevlogen. Rolf lag nu
een heel eind verderop op het ijs.
Mira las de coordinaten van het scherm,
en toetste die haastig in de vluchtcontroller. Nu maakte ze zich zeer ernstige
zorgen over de toestand van Rolf. Ze slaakte een diepe zucht. Als, nu Han dood
was, ook Rolf overleden zou zijn, wist ze zeker dat ze zelf ook zou instorten.
Mira voerde de snelheid op. Slechts een kort moment later zag al ze de
gehavende Rolf liggen. Ze parkeerde de Shuttle zo dicht nabij Rolf als ze
durfde, en sprong uit de sluis. Mira rende, en viel toen op haar knieen naast
Rolf. Ze vreesde absoluut het allerergste, hoewel Rolf nog wel bewoog.
„O Godverdomme, Rolf ...!“ klonk ze
droevig. Rolf antwoorde: „Valt wel mee hoor Mira!“ Mira kon het niet geloven.
Rolf lichtte toe: „Alle essentiele functies zijn OK. Ja.. me’n neusje en huid
is weg, maar dat groeit vanzelf wel weer aan hoor.“ Mira herinnerde zich
inderdaad dat Rolf een zichzelf regenererende robot was.
Ondanks alle andere ellende, voelde Mira
een moment van vreugde: „En je hebt ook dat enge Ding verslagen?!“ Rolf
lachtte: „Als die nog heel is, dan weet ik het ook niet meer... Kom, we gaan
naar jouw Shuttle.“
Terug in de Centrale. De dagen gleden
voorbij. De eerste paar weken voelde Mira zich nog erg bedrukt en verdrietig.
Ze mistte Han enorm. Het was ook veel stiller nu. Zoals altijd al het geval was
geweest: het werk was niet veeleisend, en er waren maar een of hoogop twee
transacties per dag. Er was tè weinig te doen, om Mira echt afleiding te geven.
Mira kon zich ook niet aan haar scriptie zetten. Die was trouwens toch al bijna
klaar. Rolf bleef ook in Sectie C. Hoewel hij vroeger vaak op pad moest, was
hij nu herstellende, en ging niet weg. Hij dronk erg veel terkoniet olie, en
Mira zag zijn snuit langzamerhand weer aangroeien. Ook had Rolf alweer een
dunne huidlaag.
6.
Weer gingen de dagen voorbij. Het was een
woensdagmiddag. Mira en Rolf zaten in de commando kamer. In de loop van de ochtend
waren er een tweetal transacties geweest. Vandaag en morgen stond er verder
niks meer geplanned. Precies over een week, om 23.00h, zou een Ruimteschip Mira
oppikken en ging ze naar huis.
Rolf was al bijna geheel hersteld en had
voorzichtig aan, alweer een klein beetje zijn oude routines opgepakt; niet in
de laatste plaats tot opluchting van het Mainframe.
Rolf had echter zijn werk expres zoveel
mogelijk uitgesteld. Hij wist dat Mira zich erg onveilig voelde als hij uit
Sectie C was. Rolf dacht: „Over een week ga ik er wel weer hard tegenaan..“
Mira vroeg: „Rolf, heb jij vandaag en
morgen nog wat te doen?“ Rolf loog: „Nee, niet echt. Heb je plannen?“
„Ja, laten we de Shuttle pakken en een
rondje om de planeet gaan.“
Rolf dacht na en vroeg zich af waar dat
goed voor was. Bijna had hij dit zo ook gezegd, maar hij slikte de woorden net
op tijd in. Hij begon langs een andere lijn te redeneren. Waarom eigenlijk ook
niet? Hij zat al ruim 600 jaar op Steig-6. Rolf groef in zijn geheugen: had hij
ooit wel eens rond de planeet gevlogen? Het antwoord was „nee“. Maar waarom
eigenlijk niet? Waarom was hij nooit om de planeet gevlogen? Omdat er geen
noodzaak voor was.. klonk het uit en ander gedeelte van zijn brein.
Geen noodzaak? Wat was er dan
bijvoorbeeld aan de andere kant op de planeet? Het meisje had gelijk: dit was
een goed idee!
Rolf schrok wakker uit zijn
overpeinzingen door de stem van Mira: „Rolf.. ben je er nog?“
„Ja!“, zei Rolf. „Ik vind het een goed
plan. Gaan we nu?“
Mira manouvreerde de Shuttle uit de
Centrale. Zij zat op de piloten stoel; De slangachtige Rolf had zich over de
andere drie stoelen gedistribueerd, met zijn snuit op de stoel van de
co-piloot. Mira liet een poosje de Shuttle stationair hangen op 700 meter. De
Centrale stond praktisch op de evenaar van Steig-6, wist Mira. Ze kon een
traject plotten langs de evenaar, of bijvoorbeeld een grootcirkel kiezen via
het noordelijk halfrond, en via het zuidelijk halfrond weer terug. Er waren
vele mogelijkheden. Iedere route was eigenlijk wel goed.
Mira koos ervoor om simpelweg de evenaar
te volgen. Ze voerde de gegevens in de vluchtcontroller. Ze koos ervoor om een
hoogte aan te houden van 3 kilometer. Zo waren nog lekker veel details van het
oppervlak te zien. Zo gingen ze op weg.
Ze gleden over fantastische blauwe
ijsruggen, afgewisseld door vlakke bevroren oceanen. Een poosje vlogen ze over
een canyon-achtige groef. Rolf genoot zichtbaar. Vaak wees hij Mira enthousiast
op een een of andere opvallende structuur op het oppervlak. Mira genoot ook.
Ze vlogen de nacht in. Mira vergrootte
het elektronische radarbeeld. Zo konden ze toch nog veel zien, maar het
grandioze was er toch wel vanaf. Na uurtje vliegen verscheen het ochtendgloren,
en ze vlogen even over de vage scheiding tussen dag en nacht: de ijsbergen
leken op willekeurig uitgestrooide robijnen. Geweldig om te zien, vond Mira.
Kort daarop was het weer dag. Een halfuurtje later zag Mira in de verte de
Centrale opdoemen. „Het was alweer voorbij..“ dacht Mira spijtig.
Even later parkeerde Mira de Shuttle op
haar schans. Nog wat later liepen Rolf en Mira Sectie F uit. Ze liepen in de
tunnel langs zaal E3.
Mira hield plots halt. Ze sprak met een
beladen stem: „Rolf.. Ik wil toch even kijken.. Bij Han.“ Rolf aarzelde: „Tsja.
Zouden we dat nu wel doen?“ Mira was de zaal al ingestapt. Rolf volgde haar.
„Daar..“, zei Mira, „bij die hoge aggregator werd Han geraakt.“ Ze liepen naar
de bewuste lokatie. Overal lagen brokstukken. Mira huiverde. Een paar keer zag
ze een tentakelarm van Han liggen. Verderop lag zijn torso, vrijwel doormidden
gescheurd. Rolf zei respektvol: „Mijn vriend was een echte held!“
Mira kon daarop haar ogen niet droog
houden. Rolf vervolgde: „Ik moet hem eigenlijk netjes begraven. Ik begin daar
morgenochtend mee.“, zei Rolf vastbesloten. Hij bewoog naar het torso, en keek
naar binnen.
Er was een bolvormige constructie
zichtbaar. Talloze verbroken draden leken van en naar de bol te lopen. Rolf
kreeg plots een ingeving. „Hmm.. eens kijken! Mira help eens...“ Gezamelijk
haalden ze de bol uit het torso. De bol kon gemakkelijk worden geopend. Via een
aantal interfaces was een goudkleurig ellipsvormig object verbonden met de bol:
het object leek nog het meest op een rugby bal. „Donders!“ sprak Rolf luid,
„Mira, weet je wat ik denk dat dit is..?“
Mira en Rolf hadden zich haastig
teruggespoed naar de kommando kamer. Rolf bewoog zich naar een terminal en
begon te zoeken in verschillende databases. „Ik zoek de databases af!“, riep
Rolf. Mira antwoordde dat dit een uitstekend idee was. Mira ging ook naar een
terminal, en opende een sessie met het Mainframe. Ze typte het volgende in: „in
de stoffelijke resten van Han, vonden we een object. Wij willen graag weten wat
het is. Ik laat u dit object zien via de bewakingskamera van de Controle kamer.“
Mira liep naar een hoek, en hield het
goudkleurig object een poosje onder verschillende standen vlak voor de
kamera.
Inmiddels flink zenuwachtig, draaide Mira
zich om en liep terug naar haar terminal. Het mainframe had inmiddels haar
antwoord op het scherm geplaatst: „Het object is geidentificeerd als zijnde
onderdeel HAN373410 en bevat het positronische brein van HAN.“
Mira gilde: „Rolf kom hier!“ Rolf kwam
meteen aanzetten. Hij las de boodschap ook en sprak: „Zie je wel, ik wist het
wel..“
Het Mainframe was nog niet klaar. Op het
scherm verscheen: „Indien u weten wilt of het brein in onbeschadigde
toestand is, kunt u een CRC check starten middels het knopje welke geplaatst is
op het apogeum van het object welke geidentificeerd is als HAN373410. Indien de
check geen fouten opleverd, zult u groen led zien oplichtten.“
Nerveus draaide Mira het brein van Han
rond. Waar was dat knopje dan? Rolf zag het al: hij wees de juiste plek aan.
Mira drukte de knop in. Gespannen keken Rolf en Mira naar de knop. Een minuut verstreek.
Mira werd steeds nerveuzer. Plotseling verscheen er een groen lichtje.
Mira was verrukt, en vloog Rolf om zijn
snuit.
Uit een ooghoek zag Mira dat het
Mainframe nog een boodschap had geplaatst. Ze liep weer daar de terminal en
las: „Aangezien het positronische brein in orde is, is zojuist een
bestelling geplaatst van het artikel ZW-00-AI51, bij het Mainframe van het ICO
op Aarde. Het artikel is over 10 dagen op Steig-6. Het bedoelde artikel, is de
laatste release van het type robot die wij kennen onder de naam Han. Een kopie
van de vorige versie, ZW-00-AI39 welke Han in gebruik had, was niet meer
voorhanden, daar deze sinds geruime tijd niet meer geproduceerd wordt.“
Mira peinsde. Ze wilde perse Han nog een
keer zien. Ze liep een poosje ijsberend door de kommando centrale. In gedachte
liep Mira een aantal scenario’s de revue passeren. Over een week verliet zij
Steig-6. Twee dagen later zou Mira voor een dag een tussenlanding maken op
Procyon, dus tussen Steig-6 en de Aarde.
Als ze vertrok zonder het brein van Han,
zag ze hem nooit meer. Als ze het brein wel meenam, kon ze het op Procyon ter
plaatse monteren. Han zou dan „wakker“ worden, en kon ze nog van Han afscheid
nemen. Gesteld uiteraard, dat het vrachtschip of pakketboot die het artikel vervoeren
zou, ook Procyon zou aandoen. Het was dus nodig om het reisschema te leren
kennen van het schip welke het nieuwe lichaam van Han zou vervoeren.
Ze liep naar de terminal, en ging zitten.
Mira pauseerde even. Ze moest voorzichtig zijn, want het Mainframe kon nu wel
eens „bezitterig“ gaan doen. Ze kon ook gewoon het brein meesmokkelen, en op
Procyon op Han wachten. „Nee, dat wordt te dol.“, dacht Mira, „Ik vraag het
gewoon.“
Ze begon te tikken. In eenvoudige
bewoordingen schreef ze dat Han haar leven had gered tijdens de crisis met de
Indringer, en dat ze Han nog wilde zien en bedanken. Verder schreef Mira of ze
HAN373410 (het brein) kon meenemen, ter plekke op Procyon in ZW-00-AI51 (het
artikel) kon inmonteren, indien er een overlap was tussen haar reisschema, en
de andere vrachtboot.
Mira las haar tekst nog een keer goed
door, en verzond de boodschap.
Mira wachtte een tijdje gespannen:
ditmaal duurde het vrij lang voordat het Mainframe met een antwoord kwam. Ze
begon al echt ongerust te worden. Het leek alsof het Mainframe allerlei
afwegingen moest maken. „Dat kan zowel positief zijn, alswel negatief zijn.“,
dacht Mira, Eindelijk verscheen het antwoord van het Mainframe op het scherm.
Het luidde: „Vanwege de bijzondere omstandigheden is het verzoek toegestaan.
U verlaat Steig-6 op woendag 19 september om 23.00h, met het schip genaamd ‚De
Arcturus III’. U arriveert dan op de basis ‚de Sterrenport’ op Procyon op
vrijdagmorgen 21 september om 08.00h. U vertrekt dan op zaterdagochtend om
09.30h van Procyon, met het jacht genaamd ‚Pollux’ richting maanbasis. Artikel
ZW-00-AI51 zal reeds op donderdagavond 20 september met de ‚Halley’ op Procyon
gearriveerd zijn, en vertrekt pas vrijdagnacht om 01.00h naar Steig. Aldus kan
het inbouwen geschieden op vrijdag, door een gecertificeerd technicus die met
het artikel meereist. Omdat de inbouw op Procyon zal gebeuren, hoeft de
technicus niet meer naar Steig-6, en zal met U instappen in de ‚Pollux’, met
bestemming maanbasis.“
Rolf had meegelezen: „Nou, dat heb je dik
voor elkaar gekregen. Zie je Han toch nog!“. „Ja“, antwoorde Mira, „En jij ziet
hem over tien dagen.“
Ook de laatste week vergleed: Mira’s
avontuur op Steig-6 liep nu echt ten einde.
Op haar laaste dag leek Rolf niet van
haar zijde te wijken. Er was deze dag maar een transactie geweest, ergens vroeg
in de middag. De rest van de dag hadden beide vrienden weinig te doen. Mira had
niet veel spullen naar Steig-6 meegenomen, en was al klaar met pakken. Na het
avondeten zaten ze nog steeds in de kommando kamer. De lange afstands radar had
het signaal van de ‚Arcturus III’ al opgepikt. Het was zojuist het stelsel van
Steig binnengevlogen.
„Het was bijna zover.“, dacht Mira. Rolf
leek de gehele dag al in een ietwat sombere stemming te zijn. Soms keek hij
Mira aan en draaide met zijn snuit. Mira dacht: „Hij heeft iets op z’n lever,
maar kan het niet kwijt.“ Mira besloot een aanzetje te geven: „Nu we bijna
afscheid moeten nemen“, sprak Mira oprecht, „wil ik je zeggen Rolf, dat ik nog
nooit zo’n gave, lieve robot heb ontmoet. Ik zal je echt vreselijk missen!“
Rolf fluisterde, op een bijna beteuterde
toon: „Maar je vind Han leuker.“ Mira was even perflex, en begon toen te
lachen. „Een jaloerse robot, dat kon er ook nog wel bij.“, dacht Mira.
Rolf ging verder: „Bovendien, zogauw als
die techneut Han’s hersenpan erop heeft geschroeft, weet je wat Han dan meteen
doet? Die rent meteen naar de ‚Polux’ en gaat met jou mee naar de Aarde.“ Mira
vond dat eerst een goede grap, maar zag dat Rolf bloedserieus bleef. Ze begon
wat te twijfelen. Rolf kende Han nu inmiddels meer dan 600 jaar. Ze vroeg:
„Rolf dat meen je toch niet echt he?“. Rolf knikte alleen maar ten teken van
bevestiging. Mira vroeg: „Maar hebben jullie dan geen contract ofzo met het
ICO? Dan kan Han toch niet zomaar weglopen?
Rolf gaf antwoord. „Destijds hebben we
een contract gekregen voor 100 jaar. Dat is nooit verlengd. Dus 500 jaar terug
al, was het contract reeds verlopen. We zijn gewoon blijven hangen, want we
wisten eigenlijk ook niet waar we anders naar toe moesten gaan.“
Mira had het met verbazing aangehoord.
Plotseling veranderde Rolf’s stemming. Hij sprak op een vrolijke toon: „En.. ik
ga ook met je mee.“
De ‚Arcturus III’ was net geland op een
daarvoor ingericht platform op het dak van de Centrale. Op het reusachtige dak,
leek het schip maar nietig. Mira en Rolf stonden in een lift, op weg naar het
platform. Mira droeg een rugzak, met daarin heel zorgvuldig verpakt, het brein
van Han. Verder had ze nog een vrij bescheiden tasje met persoonlijke spullen. „O wat een toestand!“, dacht Mira. Aan de ene
kant vond ze het beslist geweldig dat Rolf meeging. Aan de andere kant, het zou
wel wat stof doen opwaaien. Mira kon zich niet voorstellen dat het ICO blij zou
zijn met een voorlopig totaal onbemande Centrale, ondanks het feit dat deze
geheel geautomatiseerd was. „Maar..“, dacht Mira, „.. er was ook geen geldig
contract meer. Feitelijk, ja zelfs juridisch gezien“, dacht Mira, „konden Han
en Rolf dus gaan en staan waar zij wensten te gaan.“
Mira wist dat er nog een ander probleem
op de loer lag. Rolf was eigenlijk ook een formidabel wapen. Dat had ze zelf
gezien toen Rolf de indringer uitschakelde. Daarnaast, het prijskaartje wat
ooit eens aan Rolf gehangen had, was astronomisch hoog. Mira had zorgen, want
het moest nog maar blijken in hoeverre Rolf op Aarde vrij was in zijn doen en
laten.
De twee vrienden waren gearriveerd op het
dak. Mira keek omhoog. Het was al laat in de avond, en Mira zag de inmiddels
haar vertrouwde sterrenhemel van Steig-6. Dit was de laatste keer dat ze dit
zou zien. De toegangssluis van de ‚Arcturus III’ stond al open.
De piloot bleek een joviale kerel. Hij
was welliswaar verbaasd een tweede passagier te zien, maar hij sprak tot Mira:
„Och jongedame, op dit schip hebben we plaats zat. Ik zal jullie je kwartieren
wijzen. „En..“, vervolgde hij met een knipoog naar Mira, „.. niet geheel
onbelangrijk, over 15 minuten zijn we los, en kunnen jullie op het vierde dek
de bar vinden voor een drankje.“
Een paar dagen later, op een
vrijdagmorgen, waren Rolf en Mira in Sterrenport op Procyon. Dit was een
tamelijk drukke stad, met ruimtehavens in Noord en Zuid, een levendige woonstad
in het centrum, een gebied met industrieen en werven in West, en een prachtig
park in Oost.
Rolf en Mira waren zojuist geland in
Noord. De ‚Halley’, die het artikel en de technicus vervoerde, stond al sinds
gisteravond op de ruimtehaven in Zuid. Het eerste wat Mira deed, was een
publieke communicator zoeken. Ze belde naar het Flightcontrol van de
ruimtehaven in Zuid. Ze kreeg een medewerker te spreken, en vroeg of ze
verbonden kon worden met de ‚Halley’. „Als de technicus nu maar aan boord zou
zijn..“ dacht Mira. Dat bleek gelukkig het geval te zijn, want binnen een
minuut had ze John Naily al aan de lijn, de technicus die was meegereisd om het
positronische brein te monteren. Het bleek dat hij al helemaal op de hoogte
was. Mira en John spraken af, dat Mira naar hem in Zuid zou afreizen. Volgens
John zou dat een kwartiertje tot hoogop een halfuurtje vergen.
Mira hing op. Ze keek naar Rolf, en
glimlachte. „Kom Rolf, we gaan Han ophalen.“.
De beide vrienden vonden een metro naar
de ruimtehaven in Zuid. Het viel Mira geleidelijk steeds meer op, dat vele
mensen, maar ook andere robots, heimelijk met respekt naar Rolf opkeken. Rolf
had natuurlijk een fenomenaal uiterlijk, met zijn facinerende zilverkleurig
terkoniet exoskelet, en zijn vorm als enorm uit de kluiten gewassen regenworm.
De metro arriveerde op de haven in Zuid:
het eindpunt van deze metro.
Met toenemende haast gingen beide
vrienden op weg, via de passagiers-terminal, naar de buitenplaats met
landingsplatformen. Een groot elektronisch bord liet zien welk schip welk
landingsplatform bezette. Rolf wees met zijn snuit: „Kijk Mira! De ‚Halley’
staat op 5C.“
Eenmaal buiten,namen ze afslag 5. Na een
minuut of tien wandelen, zagen ze een flink, maar fraai gestroomlijnd schip op
platform C. Het was inderdaad de ‚Halley’. In de verte zagen ze een man op de
grond naast het schip. Hij was druk doende met een remote control: hij haalde
kennelijk een grote krat uit het laadruim.
„Dat moest wel het nieuwe torso van Han
zijn ..“, dacht Mira.
Uit een ooghoek zag Mira dat een beamte
van de luchthaven, die in gezwinde looppas op haar afkwam. Hij droeg een
kommunicator. „Mevrouw van Zanden? Goedemorgen! Bent u mevrouw van Zanden?“
vroeg de beamte hijgend. Mira antwoordde bevestigend. De beamte hapte nog naar
adem en zei: „Ik heb hier het ICO voor u. Gesprek met Aarde.“. Mira nam de
kommunicator over. Op het scherm zag ze Richard de Moine vanuit het
hoofdkantoor in New Yersey. Richard belde vanuit zijn eigen kantoor, wist Mira,
want ze herkende de inrichting. Richard keek niet erg blij, vond Mira.
Richard begon scherp: „Mira, waarom heb
je in hemelsnaam Rolf meegenomen?“ Mira bleef kalm, en sprak: „Ik heb niet de
bevoegdheden danwel authoriteit om iemand of iets mee te nemen. Rolf heeft zelf
besloten om mee te gaan naar Procyon.“ Richard beet op zijn onderlip, en vroeg:
„Gaan de robots nu ook naar de Aarde?“. Mira antwoordde openhartig dat ze dat
nog niet wist. Bovendien stonden ze op het punt om Han’s positronische brein
terug te plaatsen in een nieuw torso. Mira vroeg daarop nog: „Ben je bekend met
de gebeurtenissen in de Centrale? Weet je van de Indringer?“ Richard antwoordde
bevestigend: „Ja, het Mainframe had een nauwgezet verslag verstuurd.“ Zijn
gezicht kreeg plotseling een medelevende uitdrukking: „Sorry Mira, dat je dat
allemaal moest meemaken!“ Richard keek daarop listig: „Luister, we de kunnen de
robots een paar weken vakantie op Aarde aanbieden. Daarna moeten ze weer
terug!“
Mira schudde haar hoofd, en zei:
„Richard, ik kan daar nu werkelijk niks over zeggen. Trouwens, ik heb ook
begrepen dat de robots al zeker 500 jaar contractloos zijn.“ Ze zag dat Richard
daarop verschrokt opkeek, alsof een hem zojuist een groot mysterie onthuld was.
Mira wist toen wel hoe laat het was en vervolgde: „Ik zie u dinsdag op kantoor
wel, zoals we zes maanden geleden al hadden afgesproken. Met of zonder robots.“
Mira hing op, en gaf de kommunicator terug
aan de beamte. Ze dacht geirriteerd: „Bestaat het hele leven nu alleen maar uit
ritselaars en rommelaars? Bah.“ Ze keerde zich naar Rolf, en sprak nu
enthousiaster: „Kom Rolf, op naar Han!“.
Een uur later zaten Rolf, Han, Mira, en
de technicus aan een tafeltje op een gezellig terras in de binnenstad van
‚Sterrenport’. Ze zouden pas morgen vertrekken met de ‚Pollux’, richting Aarde.
De technicus, die ook weer terug zou gaan, was maar direkt met hun meegekomen.
Han schudde nog steeds ongelovig met zijn armen. „Wat een mazzel dat jullie me
gevonden hadden!“ Mira lachtte: „En Rolf wilde je al gaan begraven.
“ „Aah nietus!“ kreet Rolf. Han moest er
ook om lachen. Hij werd weer enstig en keerde zich naar Mira: „Stel je voor..
dat je niet nog even wilde kijken, of dat je het uitstapje met de
Shuttle niet gemaakt had.. Brr!“.
Mira dacht terug naar het enorme
dramatische moment wat ze een uurtje geleden gezien had. De technicus had nog
maar net het brein teruggeplaatst, het torso dicht geschroefd, en de power aangezet:
Han had vrijwel meteen gesteigerd: „Mira rennen! Weg van hier!“ Hij had
geslingerd met twee armen alsof hij met twee pulsgeweren een doel zocht. Rolf
had meteen ingegrepen. Hij had zijn krachtig slangachtige lijf om Han gewikkeld
en een sonde aangebracht. Hierop werd het geheugen van Han binnen een oogwenk
op de hoogte gebracht van alle gebeurtenissen, en Han werd daarop meteen
rustiger.
Een paar tafeltjes verderop zat een
keurige oudere heer, in het gezelschap van een dame, die vermoedelijk zijn
vrouw was, ongegeneerd naar Rolf te kijken. Mira zag dat de man een zware baard
had, en een vrij ruw, rossig gelaat. Ook dacht ze de kenmerkende bakkebaarden
te herkennen van een officier van de ruimtevloot. Mira vond dat wel
eigenaardig, maar liet het verder met rust, ook omdat Rolf kennelijk overal een
bepaalde mate van opzien baarde.
De technicus keek een poosje afwisselend
naar Rolf en Han. Hij zei toen op weifelende toon: „Begrijp ik het nu goed dat
jullie heren ook naar de Aarde gaan?“
Rolf en Han knikten met grote geestdrift.
De technicus vervolgde: „Is er geen probleem dan? Han heeft natuurlijk een
Identification Tag, omdat hij zojuist een nieuw torso heeft gekregen.“ De
technicus pauseerde even, en wees toen naar Rolf: „Bij U is er echter niks te
zien!“.
„Oei! Dat is waar!“, dacht Mira met een
schok. Meteen kon ze zich allerlei onverwikkelijkheden voorstellen bij de
Douane, als ze eenmaal aangekomen waren op de Maanbasis. Rolf stak ook zijn
snuit verschrikt omhoog. Hij keek uitermate droevig van Han naar Mira.
Han snoof, en wuifde met een arm alsof
hij dit nietige probleem van tafel schoof. „Puh! Als dat alles is, dan
overleven we dat wel.“, sprak Han luid. De technicus schoof dichter aan tafel,
zei daarop met ernstige toon: „Mogelijk onderschat u dit. Ongeveer een jaar
gelden, haalde ik een opzichter-robot op, uit het stelsel van Edidani.“. De
technicus keek nu grimmig: „Ik was zo dom geweest om te vergeten de Tag te
kontroleren. Op de maanbasis, werd de robot direkt in beslag genomen. Weet u, ze
hebben daar in de kelders erg onaangename, nou ja,.. laten we het wachtruimten
noemen. Mijn chef heeft hemel en aarde bewogen om de robot los te krijgen. Al
met al heeft dat zeker twee maanden geduurd.“
Han lachtte, en zei vrolijk: „Hoe dieper
ze Rolf wegstoppen, en hoe langer ze verzuimen naar hem om te kijken.. hoe
beter!“
De technicus keek nu, naar het leek
oprecht verschrikt, en sprak: „Dat meent u niet..!“. Mira begreep nu wat Han
bedoelde: Rolf zou met gemak een tunnel graven naar de vrijheid. Mira keek de
technicus aan en sprak sussend: „Ach, weet u, Rolf heeft zo zijn
kunstjes.“
De technicus keek op zijn klok. „Ik hoop
van harte dat jullie weten wat jullie doen. Trouwens, het begint al avond te
worden. Moeten we eerst maar niet eens een hotelletje opsnorren? Als we dan
eenmaal ingekwartierd zijn kunnen we later nog even een borreltje pakken.“
De volgende morgen, stond het groepje in
een grote vertrekhal. Een eindje verderop zag Mira een transparante luchtsluis
die naar de ‚Pollux’ leidde. Het was erg druk. De ‚Pollux’ was een enorm
passagiersschip welke hordes toeristen, werkers, en robots van allelei
pluimage, zou terugbrengen naar Aarde. Voor de incheckbali stond een lange rij.
Mira wist nu wat ze over het hoofd gezien had. Zijzelf zou vast en zeker wel
ingeboekt staan, maar er zouden uiteraard geen boekingen bestaan voor Han en
Rolf. Mira ging haar financiele middelen na: bij lange na niet genoeg om
tickets voor Rolf en Han te kopen.
Ze besprak het probleem met de technicus.
„Ai!“ zei deze. „Ja u wist natuurlijk ook pas sinds gisteren dat beide heren
naar Aarde wilde afreizen. Maarja, ik vrees toch dat alles volgeboekt zal
zijn.“
Even later passeerde de technicus de
incheckbali. Aan het begin van de sluis bleef hij staan wachten. Toen was Mira
aan de beurt. De beamte keek naar een terminal en zei: „In orde. Hier is uw
ticket mevrouw.“ Mira keek de beamte
aan, en zei: „Mijnheer, deze twee robots zijn van het ICO en moeten zich
beslist melden op het hoofdkantoor. Zij staan onder mijn begeleiding. Wees aub
zo goed voor hun ook passage te regelen.“ De beamte keek op: „Is er voor hun
ook geboekt dan? Hij raadpleegde een poosje zijn terminal, en zei tenslotte:
„Ik niets wat aan de beschrijving van die twee robots voldoet. Kortom: er is
geen boeking gemaakt.“ Mira bleef nog een tijdje aandringen, maar bereikte
verder niets meer bij de beamte. Ze wuifde een afscheidsgroet naar de technicus
en stapte met Han en Rolf uit de rij.
„Tsjonge. Wat een tegenslag!“ dacht Mira.
Han en Rolf stonden er ietwat beteuterd en nerveus bij. „Terecht.“, dacht Mira.
„Maar wat nu? Hoe kon ze dit oplossen? Zou ze Richard bellen? Zijn reaktie was
echter niet te voorspellen. Mira ging op een bankje zitten. Rolf en Han stonden
links en rechts van haar. Een eindje verderop stonden een aantal oudere mannen
in fantastische uniformen. Er stonden een aantal mannen naar haar te kijken.
Mira herkende ook de man met de bakkebaarden van het terrasje. De man wenkte
een collega en beide heren liepen naar Mira. De heren stonden nu voor haar. De
collega van de man met de bakkebaarden, was een lange imposante man, en droeg
zelfs een nog fraaier uniform. Deze man had een zeer scherp gezicht en straalde
beslist autoriteit uit.
„Goedmorgen mevrouw!“ zei de man met de
bakkebaarden vriendelijk. „Mag ik zo vrij zijn om me even voor te stellen? Ik
ben kolonel-buiten-dienst Trabliski. Dit is mijn collega,
Admiraal-buiten-dienst, Terschenko.
Mag ik u feliciteren met uw buitengewoon
geslaagde replica van de heldhaftige soldaat ‚Rolf’. Wij vroegen ons al af:
waar hebt u toch een dergelijk exemplaar weten te bemachtigen?“
Mira was perplex: „Rolf?“ dacht ze
verbaasd. Ondertussen onderwierpen de beide mannen het exoskelet van Rolf aan
een nauwgezet onderzoek.
De oud Admiraal riep uit: „Erno kijk toch
eens! Zoveel detail! Zelfs de gyro receptoren in de snuit kloppen precies. Dat
is haast onmogelijk!“
Rolf was wel ingenomen met zoveel
aandacht. Mira wist nog niet helemaal precies waar dit nu allemaal om ging,
maar ze stond op en zei: „De details zijn zo precies, vanwege het simpele feit
dat dit Rolf is!“
Nu waren beide mannen perplex. Ze
begrepen echter wel dat dit de waarheid moest zijn. Ze namen vrijwel
tegelijkertijd hun fraaie hoofddeksels af, en beide maakten een diepe
eerbiedige buiging voor Rolf. Rolf werd daarna overladen met eerbetuigingen.
Han bromde tegen Mira: „Bah. Zodirekt
krijgt onze huisworm nog last van grootheids waanzin!“ Mira echter, rook haar
kans. Met moeite wist ze de aandacht van de oud-militairen te krijgen. „Heren,“
sprak ze zwaar, „We hebben het probleem dat Rolf, en zijn begeleider Han (nu
zwaaide Han ge-ergerd met zijn armen), niet meekunnen met de Pollux, omdat ze
niet ingeboekt schijnen te staan. Is dat niet onvoorstelbaar?“
De Admiraal kreet hard: „Wat!
Ontoelaatbaar! Zo’n ongetemde brutaliteit! Erno kom mee! De Admiraal richtte
zich tot Mira: „Dat varkentje gaan wij wel even wassen..!“
Een dag later zaten Han en Mira aan een
tafeltje in het restaurant op dek 2D aan boord van de Pollux. Dit restaurant
was vlakbij hun kwartieren. Rolf had een eerste klas suite gekregen, welke een
aantal dekken hoger was gelegen.
Mira genoot met volle teugen. Ze was dik
tevreden: alles was goed terecht gekomen. Han was minder ingenomen: „Ze kunnen
hem natuurlijk wel permanent in de watten leggen, maar goed is dat niet!“.
Mira zuchtte. Ze wist dat beide robots
niet buiten elkaar konden poepen of plassen, maar wat waren het soms een
jaloerse producten zeg.
Op dat moment ging in een
tegenoverliggende hal, een liftdeur open.
Als een zich ontrollende tuinslang, kwam
langzaam Rolf de lift uit. Hij ontwaarde Mira en Han en spoedde zich in hun
richting. „Ha! Daar zijn jullie dan.“, sprak Rolf. Hij draaide zijn snuit een
paar keer rond, kennelijk om alles van de omgeving op waarde te schatten. Rolf zei:
„Ongelofelijk wat een armoe hier, zeg! Tss. Kunnen jullie het hier eigenlijk
wel uithouden? Boven is het zoveel veel mooier en luxer!“ Han kreunde. Mira
begon onbedaarlijk te lachten om deze twee clowneske robots.
Wat later kwam ze ter zake: „Rolf, als we
morgen beginnen met ontschepen op de maanbasis, dan weet je wat je moet doen
he?“
Rolf knikte bevestigend met zijn snuit,
en zei: „Ja. De Admiraal en de kolonel komen me afhalen, en ik moet tussen hun
in blijven todat we door de douane zijn. Toch?“. Mira antwoordde: „Precies!
Niet vergeten hoor!“
Twee dagen van ongestoorde rust
verliepen. Toen brak de ‚Pollux’ uit de hyperruimte en dreef weer in het
normale ruimte-tijd continuum. Een eind verderop was een gemiddelde gele ster
waarneembaar: de Zon.
Rolf en Han waren opgetogen. Mira dacht
echter nog aan de laatste hobbel die genomen moest worden: de Douane. „Nou ja“,
dacht Mira, „als ons truukje spaak loopt, kan Rolf alsnog een tunnel graven.“
De ‚Pollux’ maakte een rustige landing op
de maanbasis, en de ontscheping van de passagiers was in volle gang. Han en
Mira waren expres vooraan gaan staan, en wandelde even later moeiteloos door de
douane.
„Han is in ieder geval vrij.“, dacht
Mira. „Nu Rolf nog...“. Een eindje
verderop bleven ze staan kijken, hoe het de officieren met Rolf zou vergaan.
Daar kwamen ze al aan: De Kolonel en de Admiraal liepen met strakke blikken
naar de entry-poort. Rolf „liep“ tussen hen in. Mira zag dat een tweetal douane
beamten onmiddelijk geinterresseerd waren. De beamten hield het groepje
staande. Mira kon het niet verstaan, maar de kolonel maakte heftige gebaren en
sprak barse taal. De beamten gaven nog niet op. De Admiraal had uit de hoogte
staan kijken, maar ging zich er nu ook me bemoeien. De volgende minuut werd er
door de oud-officieren zeer ernstig misbaar gemaakt: de beamten dropen met de
staart tussen hun benen af. Dit waren nog steeds machtige mannen met vrienden
op hoge posities, wisten ook de beamten: daar viel niet mee te spotten.
Mira gilde het bijna uit van plezier. Het
groepje wandelde op hun gemakje naar Mira en Han. De Admiraal grijnsde en de
kolonel sprak tevreden: „Zo! Wat ik al zei. Appeltje eitje!“
Mira sprak haar dankbaarheid uit: „Heren
wat was dat fantastisch zeg! U heeft ons ongeloofelijk geholpen!“ De Admiraal
sprak: „Voor Rolf halen we alles uit de kast.“ Na een hartelijk afscheid gingen
de officieren hun weegs. Mira, Han en Rolf waren vrij. Mira had voor vandaag
een afspraak staan met Richard de Moine van het ICO. „Jongens“, zei Mira, „Nu moeten
we alleen nog langs het ICO in New York. Als we daar klaar mee zijn, gaan we
naar Amsterdam.“
Mira keek op haar klokje. Het was nu
dinsdagmorgen, 10.15h. Ze keek op het bord met de vertrektijden van de
maanferries naar de Aarde. Om 11.00 ging een ferry naar Peking, om 11.30 naar
Parijs, en om 12.00h zou een ferry vertrekken naar New York.
Mira kocht drie tickets ten behoeve van
passage naar New York. Ze hadden nog wel even tijd, en dus zochten ze een
koffietentje op.
Han en Rolf bestelden een glaasje Meron,
en Mira nam een espresso. Mira vroeg: „Hebben jullie in die 600 jaar, eigenlijk
ooit wel eens een verlof gehad?“ Han antwoorde: „Ik nog geen dag eigenlijk.
Rolf, jij ook niet he?“ Mira knikte, en sprak: „Jullie zullen Amsterdam
geweldig vinden. Rust eerst maar eens een paar weken uit.“ Han grapte naar
Rolf: „Jij zult het daar zeker naar je zin hebben. Er liggen onder Amsterdam
honderden kilometers in onbruik geraakte metrobuizen.“
Het groepje stond enkele uren later voor
het kolossale gebouw van het ICO in New Jersey. Ze stapten naar binnen, en
namen een lift naar de 193ste verdieping. Mira had haar tactieken goed
doorgenomen. Ze wist natuurlijk niet welke wending het gesprek zou nemen. Het
kon best wel eens uitmonden in een tamelijk vijandige ontmoeting, omdat de
Robots de Centrale verlaten hadden. Mira had daar welliswaar geen schuld aan,
maar ze vermoedde dat ze in deze vermoedelijk wel een katalyserende rol had
gespeeld. Daar stond echter tegenover dat de Robots al 500 jaar zonder contract
hadden gewerkt (juridisch een sterk punt). Zo had Mira nog wat pijlen op haar
boog, zoals de „Indringer“, en het feit dat de Centrale zodanig had ingewerkt
op Steig-6, dat de ijskap al gedeeltelijk gesmolten was, zoals Rolf ondervonden
had en op video had vastgelegd.
De liftdeur zwaaide open, en in de hal
bleek Richard hun reeds op te wachten. Richard wandelde naar Mira en greep op
hartelijk wijze haar handen. „Welkom Mira! Welkom!“ Hij richtte zich tot de
Robots. „U moet Rolf zijn, nietwaar? Juist! Dan bent u Han. Heren, ook u:
Welkom!“ Hij leidde de vrienden naar een klein vergaderzaaltje. Mira en Richard
gingen tegenover elkaar zitten. Han en Rolf schaarden zich naast Mira.
Richard krabte zijn neus en keek daarop
Mira openhartig aan, en zei: „We hebben gedetailleerde rapporten ontvangen van
het Mainframe. We hebben een goed beeld kunnen opbouwen van wat er heeft plaats
gevonden, en van de huidige status van de Centrale.“ Mira zweeg nog.
Richard sprak nu op zachte toon: „Het
spijt ons heel erg wat jou is overkomen Mira... We hadden geen idee dat zoiets
zou kunnen gebeuren. De Centrale draaide immers al meer dan 600 jaar
geruisloos.“
Han vroeg: „Weten jullie inmiddels wat
meer over de Indringer?“
Richard antwoordde enigzins dubbelzinnig
vond Mira, toen hij tegen Han zei: „Ja en nee. ‚Ja’ want we zijn er
uiteindelijk achter gekomen wat het was, en ‚nee’ omdat we geen idee hebben hoe
het daar terecht is gekomen. Verder betreft het hier echt classified
informatie. Ik mag er niks meer over zeggen. Maar.. „ en Richard zwaaide met
zijn wijsvinger, „.. ik kan nog wel vermelden dat het ICO, en zeker ook de
Galactische Raad, erg blij zijn met het doortastende optreden van Rolf, die
immers het creatuur verpulverd heeft.“ Hij vervolgde: „Inderdaad is ook
vastgesteld dat de ijskap van Steig-6 smeltende is.“ Hij keek Rolf aan. „Dat
heeft Rolf ook proefondervinderlijk vastgesteld. We hebben berekend dat de
situatie over een jaar of 50 echt instabiel zal zijn. We zijn dus van plan om
de aktiviteiten van de Centrale af te bouwen. We willen echter de centrale nog
een jaar of 30 in bedrijf houden en we zoeken nog een bemanning. Vooral de
komende twee jaar is de invulling van de vacatures erg urgent.“
Richard keek zijn bezoekers nu een voor
een vragend aan: „Kan ik jullie nog overhalen om het liefst voor een periode
van 2 jaar, maar tenminste voor een jaar, de zaken op Steig waar te nemen?“
Mira schudde afwerend het hoofd en zei op
besliste toon: „Ik denk dat ik deze keer bedank voor de eer!“ Rolf knikte
daarop kordaat met zijn snuit, en zei: „Ik ga ook weg uit deze handel!“
Tenslotte zei Han: „Alles overwegende: ik
doe niet meer mee!.“
Richard zuchtte en zei: „Ik kan niet
zeggen dat ik dit niet verwacht had. Wel heel erg jammer, zo’n ervaren
bemanning. Ik moet dan maar op zoek naar een andere crew.“
Hij keek op zijn horloge, ten teken dat
het gesprek beeindigd was. „Als jullie het niet heel erg vinden.. Ik heb nu nog
een andere afspraak.“
Mira zei: „Rest nog de vergoeding van
mijn wacht.“
Richard keek op: „Ach ja natuurlijk! Geef
me maar je rekeningnummer, dan zorg ik dat het overgemaakt wordt.“ Mira
betoogde: „Het zou bijzonder plezierig zijn, indien je het bedrag nu in contant
zou kunnen uitkeren.“
Nu keek Richard zeer verbaasd: „Contant?
Hoe ouderwets! Weet je het wel zeker?“ Mira knikte. Richard haalde zijn
schouders op „Nu ja, als ik je daar een plezier mee doe...“ Hij liep naar een
kast, waar een klein kluisje in stond. Hij keek om naar Mira. „Wat had u ook
alweer per maand?“ Mira antwoorde dat 1700 credits per maand afgesproken was.
Richard telde 10200 credits uit op tafel:
10 briefjes van 1000 en 2 briefjes van 100 lagen tenslotte in een keurig
stapeltje voor Mira. „Zo! Alstublieft!“ zei Richard. Alsof hij zich plotseling
bedacht sprak hij: „Wacht. Ik zal het even netjes in een enveloppe doen.“ Hij
pakte het geld, liep naar de kast, en kwam terug met een gevulde enveloppe.
Richard gaf Mira de enveloppe, die het
daarop netjes in haar tas wegborg.
Ze namen afscheid en het drietal stapte
in de lift. De lift was ergens halverwege toen Rolf op de noodrem drukte. De
lift stond abrupt stil. Han keek scherp naar Rolf: „Rolf, wat is dat?“ Rolf zei
rustig: „Mira, kijk eens in die enveloppe!“ Mira was perplex, maar haalde toch
de enveloppe uit haar tas. Ze deed de enveloppe open. Han kreet: „Wat een
driedubbel overgehaalde oplichters!“ Mira zag het ook: een keurig stapeltje
blanco briefjes vormden de treurige inhoud.
Rolf knikte met zijn snuit en zei: „Ik
zag zijn bedrog toen ie weer terugliep naar de kast, zogenaamd om het geld
netjes in die enveloppe te doen.“ Mira had nu eigenlijk in razernij moeten
ontvlammen. Vreemd genoeg echter, voelde ze geen woede, alleen maar een vreemd
spijtig en onthutst gevoel. Ze had eigenlijk genoeg van de wereld en al die
vunzige en vuige mannetjes in hun nette pakken! Ze wilde eigenlijk alleen nog
maar naar huis. Een traan welde op.
Han zei kwaad tegen Rolf: „Verdomme
Rolf.. waarom zei je boven dan niks!“ Rolf lachtte, en zei: „Toen we het gebouw
binnenkwamen, heb ik eventjes een snelle scan gedaan. In de kelder, niet ver
van de liftschacht, staat een grote kluis.“ Tegen Mira zei Rolf: „Hou je maar
vast aan ome Rolf. We gaan even het één en ander rechtzetten!“ Rolf haalde de
lift van de noodrem en gaf de kelder op als nieuwe bestemming.
Even later stond de lift in de kelder.
Rolf wees een liftzijde aan en zei: „Han, haal jij die plaat eens even netjes
los.“ Han begreep de bedoeling, en schroefde bliksemsnel een muurplaat weg, en
zette deze aan de andere kant neer. Rolf sprak enthousiast: „Jongens, even aan
de kant en oren en oren dicht.“
Mira en Han zagen dat Rolfs snuit tot een
gloeiende lans werd gevomd, en zijn achterlijf werd een dikke springveer. Een
grote klap volgde. Er zat een enorm groot gapend gat, dwars door de liftwand,
dwars door een dikke betonnen muur. Ergens in het gebouw hoorde Mira een
alarmbel rinkelen. Rolfs snuit bikte het gat nog groter. Tenslotte riep Rolf
vanuit de andere kant: „Komen jullie ook?“
Ze stonden in een forse kluis. Aan de
wanden stonden hoge rekken, met keurige stapels contanten. Rolf laste
razendsnel met zijn snuit de reguliere kluisingang dicht. Hij zei: „Zo. Die is
dicht. Permanent dicht mag ik wel zeggen. He Han! Wat denk jij? Doen we 600
jaar maal modaal salaris..., maal twee?“ Han kreeg nu ook de smaak te pakken, en
sprak: „Nee, maal drie,.. en laat de inflatie correctie maar zitten.. en dan
komen we uit op, pakweg... 32.000.000 credits!“
Han verzamelde dat bedrag, en wilde dat
in zijn torso verstopen. Rolf zei: „Nee gekkie, daar kijken ze het eerst! Stop
het maar hierin.“
Rolf vormde een opening in zijn terkoniet
stalen lijf. Han plaatste het geld. De opening ging weer naadloos dicht.
Het drietal ging terug naar de lift. Han
ruimde met zijn instrumenten al het puin van de vloer, en smeet dat in het gat.
Hij plaatste de muurplaat weer terug. Er was niks te zien: de lift leek
blinkend schoon en puntgaaf. Rolf stuurde de lift naar de begane grond. De lift
zwaaide open. Het bleek daar een drukte van belang. Er stonden kris kras mensen
druk te overleggen. Bewakers keken scherp om zich heen. Er was iets gebeurt
wist men. Het alarm van de kluis was afgegaan. Maar men kon de kluis niet
inkomen! De kluisdeur bleek totaal onwrikbaar vast te zitten.
Mira zag Richard, die hun erg argwanend
leek te observeren. Richard wenkte een tweetal bewakers en liep op de vrienden
af.
„Waar komen jullie nu vandaan?“ vroeg
Richard wantrouwend. Han antwoorde: „We hebben helemaal boven nog even een
koffie gedronken. Wat een fabelachtig uitzicht!“ Richard keek nog argwanender.
„Mira.“, vroeg Richard, „mag ik misschien in je tasje kijken? Het spijt me erg,
maar dat is standaard procedure na een alarm.“
„Ja hoor.“, zei Mira rustig, en gaf
Richard haar tas. Richard keek en gaf haar de tas terug. Hij liep langzaam, aan
zijn baard plukkend, om Rolf heen en daarna liep hij naar Han. Han vroeg met
droge toon wat er toch gaande was: misschien konden ze dan wel helpen! Rolf
bleek hierop in een enorme lachbui uit te barsten. Richard had inmiddels een
wat verwilderde blik. Hij rende naar de lift, wierp een blik naarbinnen, zag
niks bijzonders, en keerde terug naar Han.
Hij wees naar Han’s torso en zei: „Ach,
verontschuldiging Han, maar mogen wij nog hier nog even binnen kijken? Dat is
toch immers zo gebeurt.“
Han snoof verachtelijk en keek uitermate
verstoord. Hij antwoorde bars: „Nou als dat helpt om ons uit deze
kermistoestand te verlossen, nou ja, laten we maar even kijken dan.“
Kort daarna stonden de vrienden buiten,
op een stoep langs een drukke straat in New Yersey. De zon stond stralend aan
de hemel.
Mira’s hart bonsde nog in haar keel na
deze ongelofelijke stunt! Langzamerhand werd ze wat rustiger, en keek op haar
klokje: het was nog vroeg in de middag. De volgende snelbaan naar Amsterdam
ging pas over twee uur. Mira vroeg: „Hoelang duurt het voordat ze die kluisdeur
open hebben?“ Rolf was nog steeds in een opperbeste stemming. Hij antwoorde
vrolijk: „Ik heb die deur vol met terkoniet geplakt. Daar zijn ze nog wel even
mee zoet“. Mira zag in de verte een koffiehuisje. Ze zei: „Han.. jij een glaasje
Meron?“ Ze draaide naar Rolf, en schudde zachtjes de punt van zijn snuit:
„Rolf, wat dacht je van een litertje terkoniet?“ Ze wees naar het koffiehuisje,
en pufte: „Ik ben echt wel toe aan een koffie!“