Short Story – Science Fiction / Fantasy :

„De Advocate der Galaxy“

Albert van der Sel

 

 

 

1.

 

Toen Lejah Missou nog maar negen jaar oud was, haalde ze haar eerste portable communicator uit elkaar. Dit scheen het meisje een erg spannende bezigheid  te vinden.

Op haar bureau lagen nu alle onderdelen netjes naar grootte gegroepeerd. Met een schroevendraaier in haar linkerhand, inspecteerde ze nauwkeurig alle componenten om te zien of een verdere decompositie nog haalbaar was. Ze concludeerde dat dit niet doenlijk was, en ze maakt zich op om het toestel weer in elkaar te zetten. Toevallig stapte op dat moment haar moeder, Anaka Missou, haar kamer binnen om wasgoed te verzamelen. Anaka zag vrijwel direct de onderdelen liggen en schrok zich een hoedje: met haar ogen zo groot als schoteltjes bracht ze haar hand naar haar mond. Goed, haar kind was weliswaar een echte belhamel, maar zo’n dure communicator die ze nota bene van haar vader cadeau had gekregen, ging zelfs Anaka te ver. “Kind, hoe kan je dat nou doen! Wat zal je vader daar wel niet van zeggen!” Lejah maakte vol zelfvertrouwen slechts een achteloos gebaar: “Mam.. die zet ik echt zo weer in elkaar hoor.” Anaka raapte daarop her en der wat wasgoed bij elkaar, en verliet hoofdschuddend de kamer.  

 

s’Avonds na het eten vertelde Anaka haar man wat ze die middag gezien had: “Jimi, het ding lag helemaal uit elkaar! Hoe krijgen we dat kind toch ordelijk opgevoed?” Jimi gebaarde dat het allemaal wel zou loslopen. Toch stond hij op en wandelde de trap op naar Lejah’s kamer. Hij opende de deur en zag dat zijn dochter bezig was met een bouwpakket: het was een schaalmodelletje van een bekend luxueus ruimtejacht.  “O, dat wordt vast een hele mooie boot, Lejah!”, terwijl hij liefkozend haar wilde haardos streek.  Jimi zag daarop de communicator liggen en pakte het op. Hij klikte op de aanknop. Een serie van leds brandde één voor één groen: het ding was dus in orde, concludeerde Jimi. Hij aaide Lejah weer over haar bol, en ging weer terug naar de woonkamer. Jimi plofte op zijn stoel. Hij gaapte even, en sprak tot zijn vrouw: “Als ie echt door onze wildebras uit elkaar was gehaald, dan wordt ze vast en zeker later een kundig technicus. Dat ding is zo goed als nieuw.”   

 

De familie Missou woonde in de enige stad op de planeet “Rijkdom”, die langzaam baantjes trok om de gele ster Pi Mensae, op zo’n 265 lichtjaar van de Zon. Omdat de stad voorlopig nog steeds slechts de enige stad op de planeet was, had men haar nooit een naam gegeven. Er bleek eenvoudigweg geen behoefte voor te bestaan. De inwoners van de planeet spraken eenvoudigweg over “De Stad”. Een jaar op Rijkdom duurde ongeveer drie aardjaren, en het gevolg was dat de seizoenen ruim langer duurde dan vergelijkbare seizoenen op Aarde. Planeet Rijkdom was, over het algemeen, een aangename en warme planeet. Tropische wouden omzoomden de evenaar, en in de gematigde streken waren bergruggen, talloze meren, en uitgestrekte wouden te vinden. Vijftien jaar geleden, in het jaar 2742, waren Anaka en Jimi aangekomen op Rijkdom. Jimi was opzichter bij een groot ontginningsbedrijf, en sinds geologen ontdekt hadden dat de korst van Rijkdom barstens vol waardevolle reaktieve metalen zat, was een ontginningsteam er opuit gestuurd. Daar had Jimi bijgezeten. In een paar jaar tijd, was aan de rand van de stad een industrieel complex gegroeid.

Na enkele jaren had het gezin hun eerste kind gekregen. Dit was Lejah. Sinds de geboorte van Lejah, was het gezin dolgelukkig en had Anaka nu pas werkelijk een thuisgevoel gekregen. Er woonden nog steeds maar relatief weinig mensen op Rijkdom: een paar duizend hoogop, waarbij verreweg de meeste in dienst waren van het bedrijf, afgezien van enkele natuurvorsers in afgelegen nederzettingen.

 

Enkele jaren gleden voorbij. Lejah was nu twaalf jaar oud. Het was zomervakantie en Lejah had een paar weken vrij van school. Het was in die periode prachtig zonnig en warm weer, en Lejah trok er bijna iedere dag op uit in de nabij gelegen bossen.  

Op een dag kwam Jimi wat eerder thuis van werk. Het was nog maar een uur of twee in de middag, en hij groette zijn vrouw. Hij vroeg haar of ze Lejah nog gezien had. Anaka keek droef en zei: “Zoals ik al zo vaak tegen je gezegd heb: ze zit de laatste twee weken vrijwel iedere dag in het woud. Meestal komt ze om een uur of drie, of vier, wel weer opdagen.” Anaka zuchtte: “Het zal wel geen kwaad kunnen, maar soms zie ik haar zelfs niet eens vertrekken. Waarom gaat ze niet gewoon met de kinderen uit de buurt spelen?”  Jimi knikte, en stond op. Hij liep naar buiten, en slenterde daarop een beetje rond het huis.

Jimi keek omhoog naar de stralend blauwe hemel, en schopte daarna tegen een paar kleine steentjes. Hij dacht na: “Zou het kind zichzelf werkelijk hele dagen vermaken in het woud?” Plotseling, uit een ooghoek, zag hij in de verte een beweging op een nabijgelegen heuveltop, die de begrenzing van het woud vormde. Een meisje, slechts gekleed in een korte broek en shirt, wandelde in rustige passen de heuvel af.

Jimi vernauwde zijn ogen. Het leek wel of ze wat achter haar aan sleepte. Naarmate Lejah dichterbij kwam, hoe meer de ontzetting bij Jimi groeide. Nu stond zijn dochter recht voor hem. Ze trakteerde Jimi op een vrolijke grijns.  Jimi zag een dunne, maar tanige gestalte, zwaar gebruind door de zon. Bovendien zaten over heel haar lichaam en kleding allerlei moddervlekken en groene vegen.. Op haar rug droeg Lejah een korte handboog, en een houder met pijlen hing over haar schouder. Jimi keek nu in volslagen verbazing, en met open mond toe: “Onvoorstelbaar!”, dacht Jimi. Zijn blik dwaalde nu af naar het object wat Lejah met aan touw achter haar aan had gesleept. Hij schrok nu echt !: het touw zat vast aan de staart van een dode falanx. Was het dier soms door zijn dochter geschoten? Zo’n beest was al tamelijk zeldzaam, en werd bijna nooit gesignaleerd in de buurt van mensen. Evenwel had het kleine panterachtige roofdier een gevaarlijke reputatie, en kon zich inderdaad uiterst agressief gedragen. Sedert lange tijd besefte Jimi, dat zijn kleine meid toch inderdaad wel zeer aparte trekken vertoonde: helemaal niet zoals de andere meisjes in de buurt zich gedroegen, of ook niet zoals hij zich van vroeger kon herinneren. Dit was wederom zo’n vreemde gewaarwoording.

Hij vroeg op rustige toon aan Lejah: “Heb jij het dier geschoten?”  Lejah draaide zich even om naar de falanx, en keek toen met grote ogen haar vader weer aan.

Ze zei: “Ja, maar dat wilde ik eerst helemaal niet doen! Echt niet! Totdat hij aanviel!”

Jimi zei: “Ga maar vast naar binnen, schat. Je moeder heeft vast wat lekkers voor je. Ik leg het dier wel in de schuur en dan kijken we later wel wat we er mee doen.”  Lejah plaatste haar boog en houder met pijlen tegen een muur, en vertrok naar binnen. Jimi pakte de boog, en verbaasde zich over de spankracht en de fraaie afwerking. Kon je die dingen hier kopen? Hij geloofde van niet en vermoedde dat Lejah de boog, en zelfs de vlijmscherpe pijlen, dan toch waarschijnlijk zelf gemaakt had. Ze bouwde wel vaker van alles en nog wat zelf, en hij dacht aan haar kamertje die nu vol stond met knap nagebouwde schaalmodellen van ruimtekruisers en jachten. Hij pakte nu een pijl en bestudeerde de punt: Dit was een vlijmscherpe veggel uit een oude tractormotor. De slimmerik had dus ook ergens misschien wel een oud tractorwrak gevonden.  Jimi plaatste de boog terug tegen de muur en hurkte nu naast het dode lichaam van de falanx. Hij bestudeerde de kop van het dier.

Een pijl was diep doorgedrongen, op een plek precies tussen de ogen. Vol ongeloof aanschouwde Jimi de schotwond: “Tsss! Een meesterschot? Of puur geluk soms?” Ergens voelde Jimi iets van trots over wat zijn jonge dochter hier gepresteerd had.

Het was absoluut fenomenaal eigenlijk! Tegelijkertijd wist hij ook dat er toch ergens iets mis was: hier zat ook een schaduwzijde aan!

Jimi wreef zijn kin, en dacht ernstig: “Ik moet mijn meisjes misschien maar weer in de echte beschaving brengen! Misschien London op Aarde? Of misschien Centiva op Glies 510?” Jimi voelde zich plotseling schuldig, en sloeg zijn linkervuist hard in zijn rechterhandpalm.  Het idee van overplaatsing, zou hem niet meer loslaten.

 

 

2.

 

Het was een paar jaar later. Het gezin Missou was destijds verhuisd naar San Fransisco, op Aarde. Jimi had werk gevonden op het hoofdkantoor van het bedrijf, en de zeventienjarige Lejah zat inmiddels in de vijfde klas van de middelbare school. Na schooltijd, ging Lejah meestal nog een uurtje of wat hardlopen, of zwemmen als het weer dat toeliet. Maar ze ging ook regelmatig naar een nabije sportschool waar ze lessen nam in een aantal klassieke vechtsporten.

Er ging een periode van relatieve rust voorbij, waarbij er slechts een paar noemenswaardige incidenten voorkwamen, tenminste, waar het dan direct Lejah betrof.

In die periode, had Lejah verschillende vriendinnen, waaronder een meisje met de naam Randi. Dit was een knap kind met een latijns-amerikaans uiterlijk. Randi hield zich voornamelijk op in de scene met de stoere jongens en meisjes, en dat was beslist niet de omgeving waar Lejah normaliter te vinden was.  Maar op een of andere manier leek het wel of Randi vond dat  Lejah haar op één of andere wijze inspireerde, want de laatste tijd zocht ze Lejah regelmatig op. Hoewel de karakters van de meisjes ver uiteen lagen, gingen beide meisjes dan toch vaak wat wandelen, of shoppen in de city.  

 

Op een zonnige namiddag liepen beide vriendinnen wat langs een baai te slenteren. Lejah droeg een T shirt, een vale versleten spijkerbroek, en gehavende sportschoenen. Ze had halflang, tamelijk onverzorgd en piekerig bruin haar, welke een sproetig en spits gezichtje omhulde. Randi zag er meer trendy uit, en besteedde in het algemeen erg veel aandacht aan haar kleding en uiterlijk. Randi kon zich niet voorstellen dat Lejah er altijd maar zo slordig bijliep. Randi liep die dag op hoge gelakte laarsjes met smalle hakken. Ze droeg zwarte panty’s, en een heel kort rokje, met daarboven een guitig rood lederen jasje. Ze kon met haar onhandig schoeisel maar moeilijk wandelen op de stenen dijk langs de baai, en klaagde daar voortdurend over. Op een bepaald moment leek Randi zich echter iets bijzonders te herinneren, en ze zei tegen Lejah: “Oja…Dit moet je echt horen! Er is vanavond een feestje bij Robin. Die ken je wel hè? Het schijnt dat zijn ouders voor een paar weken naar Luytens Ster zijn vertrokken.” Nu klonk ze enthousiast:  “Ik heb gehoord dat het een knalfuif wordt! Er is zelfs ook een bandje..” Lejah luisterde er maar met een half oor naar. Ze vond die Robin eigenlijk maar een blaaskaak, en ze zag in zijn opschepperige vrienden ook maar weinig heil.  Ineens zag ze onder een steen een grote krab zitten. Het arme beest was bijna geheel met zeepokken bedekt. Met afgrijzen zag Randi dat Lejah, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, de krab met haar linkerhand oppakte. Met de scherpe, harde nagels van haar rechterhand begon ze de krab voorzichtig schoon te maken. Randi trok een vies gezicht: “Getverr.. laat dat beest toch! Bah, en het is ook niet normaal gewoon, die harde knuisten van jou!” Lejah glimlachte. Ze inspecteerde de krab. Lejah had de krab nu zo goed als mogelijk was, van pokken ontdaan, en ze zette het beest weer onder de steen. De krab schoot er echter meteen vandoor, ongelukkigerwijs richting Randi, waarop deze met een gilletje achterover tuimelde.  Lejah moest daar erg om lachen, en pakte de krab weer op en liet deze nu in zee los. Randi krabbelde overeind, en klopte mopperend wat zand en andere derrie van haar kleding. Na een poosje zei Randi: “Waarom ga je vanavond niet eens een keertje mee? Alle vriendinnen van school zijn er ook. Trek dan ook eens, voor de verandering, wat leuks aan! Je hebt toch hopelijk ook wel wat anders in je kast hangen dan alleen die oude, vieze spijkerbroeken?”  Lejah schudde haar hoofd, en sprak simpelweg: “Ik vind dat soort feestjes nooit wat aan.”

Randi protesteerde hevig: “Maar Robin had me zelfs uitdrukkelijk opgedragen om jou ook mee te nemen!” Lejah snoof: “Die Robin is niks anders dan een bullebak. Hij en zijn maten zitten altijd die jochies van de lagere klassen te treiteren. Ik vind eerlijk gezegd die lieden niet echt gezellig te noemen.”

Randi ondernam nog een poging. Ze zei: “Maar jij gaat volgens mij nooit ergens heen! Hoe wou jij dan ooit leuke jongens tegenkomen? Als je loopt te joggen soms?”  Lejah had daar niks op terug te zeggen. Randi zag daar een ‘ja’ in, en zei opgetogen: “Goed. Afgesproken! Zal ik je dan komen ophalen? Nee? Kom dan rond een uur of acht naar Lincolnstraat. Je weet toch wel waar die is hè? Tussen al die tuttenhuisjes, staat ook een grote witte villa. Ach, weet je wat? Ga maar gewoon op de herrie af. Dan kom je er vanzelf!”

 

Toen Lejah laat in de middag thuis kwam, was Anaka in de keuken bezig. Lejah gaf haar moeder een kus en zei: “Ik ben uitgenodigd voor een feestje vanavond. Ik weet eigenlijk nog niet of ik wel ga..” Anaka was aangenaam verrast. Lejah werd namelijk niet vaak uitgenodigd, ondanks het feit dat haar dochter beslist een lief en knap ding was. Anaka zei opgetogen: “Ach, ga toch even kijken. Als het niks is, kan je altijd toch meteen naar huis komen.”

Die avond wandelde Lejah door de Lincolnstraat. Ze zag de witte villa, en besefte dat Randi beslist niet overdreven had. Op de veranda stonden en hingen allerlei jonglieden, en  binnen in het huis flitste allerlei kleurige lichten uit en aan. Ook klonk er luide muziek. “Dat moest het bandje wel zijn.”, dacht Lejah.  Ze hield haar pas in, en twijfelde nog of ze zou teruggaan. Lejah dacht toen dat ze minstens toch wel even zou kunnen rondkijken.

Ze stapte de villa binnen, en liep langzaam en wat onwennig door de menigte. Tot nu toe had ze nog geen bekenden kunnen ontdekken. Ze merkte dat iedereen haar eventjes van top tot teen opnam, wat Lejah maar een vreemde ervaring vond.. Op een trap stond Randi, die plotseling haar vriendin opmerkte. Ze zwaaide opgetogen naar Lejah, en rende vervolgens haastig naar beneden. Ik haar kielzog liep een grote zware jongen mee.  

Randi gaf haar vriendin een zoen en wees even naar de grote jongen: “Dit is Larry. We hebben sinds vanavond verkering. Het is toch zo’n schatje.”  Ze keek Lejah weer aan en zei: “Misschien vind jij vanavond ook wel een leuk vriendje! Wie weet! Maar we gaan nu eerst voor jou een lekker drankje halen. Kom mee!” Randi pakte een hand van haar vriendin, en gezamenlijk wurmde de meisjes zich in de richting van een bar, waar een of andere knaap de gasten van drank voorzag.  De barjongen herkende Randi en wuifde vrolijk. Hij zei: “Hé Randi, nog een borreltje van het huis?” De barjongen zag toen Lejah staan, en sprak opgetogen tot Randi: “Wauw! Waar heb je dat lekkere ding vandaan?” Nu keek hij schalks naar Lejah, en gaf haar een knipoog. “Wat dacht jij van een lekker tequila mixje?” Zonder te wachten, greep hij een tweetal flessen, en jongleerde daar handig mee, waarbij hij afwisselend de inhoud in een groot glas goot.  Met een grijns overhandigde hij het glas aan Lejah.

Toen, alsof hij uit het niets was verschenen, stond plotseling Robin achter haar. Robin gaf Randi een kusje en keek toen Lejah aan. Hij brulde: “Aha, mijn favoriete schoolmeisje is er ook! Nu kan mijn avond werkelijk niet meer stuk!”. Hij kreeg een groot glas drank van de barjongen, en goot de inhoud in zijn keel. Lejah keek om haar heen, maar zag Randi niet meer. Kennelijk waren Randi en haar vriend vertrokken, en in de menigte opgegaan. Nu was ze dus alleen met die enge gozer. Ze probeerde zich uit de voeten te maken en begon langzaam achteruit te lopen. Robin greep echter haar hand en zei: “Kom we gaan dansen.” Lejah maakte hem duidelijk dat ze dat niet wilde, en dat ze op het punt stond om naar huis te gaan. Ze trok haar hand los. Robin kreeg een donkere blik en sprak bars: “Wat? Je wilt nu al naar huis? Maar je bent er nog maar net! Kom, we gaan eerst dansen, en daarna gaan we met z’n tweeën naar mijn kamer”.  Lejah hied echter voet bij stuk, en wilde nu gewoon weggaan. Robin zei: “Ga dan tenminste nu mee naar mijn kamer. Ik heb wel zin om jou eens lekker te verwennen!” Lejah zei luid: “Hoe haal je het in je hoofd! Ik ga zeker niet met jou mee naar je kamer! Nu niet en nooit niet!”  Robin brulde: “Als ik bijvoorbeeld tegen jou zeg dat we gaan dansen, dan gaan we ook dansen!” Lejah kreeg geen tijd meer om verder te protesteren, want Robin trok haar hard mee naar het midden van de kamer.

 

Terwijl Robin allerlei vreemde danspasjes rond haar draaide,  pijnigde Lejah slechts haar brein met de vraag hoe ze hier zo snel mogelijk weg kon komen.

Op een zeker moment stond hij achter haar, en legde zijn armen om haar middel. Hij had zijn hoofd tegen haar aangedrukt. Lejah voelde een golf van walging opkomen.

Wat er toen gebeurde, hebben sommige later omschreven als een onvermijdelijke reactie van een natuurmeisje die haar jeugd tussen wilde falanxen had doorgebracht. Anderen zouden spreken van een duivels kind. Haar karate leraar echter, had alleen maar zijn duim opgestoken en onbedaarlijk gelachen.

 

Geheel geleid door haar instinct en haar trainingen, buigde Lejah haar linkerknie, en trapte hard op de tenen van haar belager. Tegelijkertijd stak ze keihard haar rechterelleboog naar achter, recht in de ribbenkast van Robin. Meteen daarop verflauwde zijn greep. Razendsnel draaide Lejah zich om haar as en terwijl Robin nog aan het inzakken was van de vorige voltreffers, ramde Lejah met alle macht haar rechtervuist tegen zijn linkeroor. Robin kletterde daarop op de grond, en gilde het uit van de pijn. Er kwam bloed uit zijn oor, wat inmiddels ook op zijn handen zat. Hij keek daar vol afgrijzen naar. De omstanders hadden inmiddels uit schrik het midden van de kamer vrijgemaakt, en Lejah stond daar nu alleen met een kermende Robin aan haar voeten. Lejah dacht dat het wel verstandig was om nu toch echt maar zo snel mogelijk de villa te verlaten. Maar de beproeving was echter nog niet voorbij! Daar kwam Larry aanstormen, de grote en zware vriend van Randi. Kennelijk was Larry ook een goede vriend van Robin. Larry was woest. Vuur spoot uit zijn ogen terwijl hij op een waanzinnige manier aan het schreeuwen was:  “Smerige trut! Nu zal jij het beleven!”  Hij schopte plotseling hard met zijn zware rechterbeen om Lejah verpletterend op haar borst te raken. Als een bliksemschicht week Lejah naar achter, greep met beide handen zijn voet, en draaide met alle macht de voet rond terwijl ze haar lichaam tegelijkertijd ook roteerde, teneinde een maximaal momentum uit te oefenen. Er volgde een afschuwelijk krakend geluid, en Lejah liet het been meteen los. Ze keek om haar heen. Iedereen stond doodstil, en er was niets te horen, afgezien van de twee jammerende kerels op de vloer. Lejah wandelde daarop met gespannen zenuwen de villa uit, waarbij de feestgangers haar met open mond nastaarden. Eenmaal buiten, zette ze meteen een spurt in, richting huis.

 

Dit voorval leek eerst voor Lejah een naar staartje te zullen hebben, maar al spoedig zou blijken dat er een goede afloop in het verschiet zou liggen.

Na twintig minuten hard lopen, was Lejah bijna thuis aangekomen. Tot haar ontzetting stond er reeds een Sherrif’s auto voor haar huis. Bij de voordeur aangekomen, gaf Lejah een diepe zucht: “Het moest dan maar.” Ze stapte haar huis binnen, en wat ze zag, brak haar hart. Anaka zat snikkend in een stoel; haar handen verborgen haar gezicht. Jimmi keek bezorgd en was in gesprek met een Sherrif. Lejah herkende Sherrif Lohman, een forse kerel, die een pulspistool achteloos in een heupholster droeg. De Sheriff keek even schattend naar Lejah, en keerde zich weer naar Jimmi. Lejah kwam naderbij, en hoorde wat de Sherrif tegen Jimi zei. Lohman sprak: “We hadden ze al veel langer op het oog. Het zijn twee vreselijk ongehoorde lamstralen!  Ze zullen echter nooit vergeten dat ze zijn afgetuigd door een meisje!” De Sherrif draaide zich kort om naar Lejah en toonde een forse grijns. Hij keek Jimi weer aan, nu dan met een ernstige blik: “Helaas is er wel net aangifte gedaan van ernstige mishandeling.” Hij zwaaide verontschuldigend met zijn handen: “Gelooft u me, ik heb er echt absoluut geen zin in. Het liefst zou ik uw dochter een onderscheiding opspelden, maar ja,  ik heb orders en Lejah moet helaas mee naar het bureau.”

Daarop nam de Sherrif Lejah mee naar zijn wagen, en reed weg. Lejah zat op de achterbank. Ze werd gekweld door het beeld van haar huilende moeder, en was erg verdrietig. Ze besefte nauwelijks dat de Sherrif af en toe achterom keek, en lachend zijn hoofd schudde. 

 

Op het bureau aangekomen, werd Lejah in een afzonderlijk cellenblok geplaatst. Er bleek daar niemand anders vast te zitten. De Sherrif sloot de deur echter niet af, en wees haar op een rookkamertje aan het einde van de gang, en waar ook wat boekjes te vinden waren. Daarna toonde hij haar een aantal sanitaire voorzieningen. Daarna nam hij rustig en vriendelijk afscheid en liet haar alleen achter.  

Lejah had een onrustige nacht en ze deed geen oog dicht. “Wat had ze haar ouders wel niet aangedaan!”, flitste het keer op keer door haar hoofd. De nacht leek oneindig lang te duren. Eindelijk werd het buiten langzaam lichter, en de ochtend brak aan. Om half zeven, verscheen er een deputy in de deuropening. Hij zei alleen maar: “Je bent vrij meisje! En je ouders wachten ook al op je.”

 

Gezeten in Jimi’s wagen met Anaka achter het stuur, en haar vader Jimi op de passagiersstoel, vertelde haar vader wat er allemaal die avond verder gebeurt was. Nadat Lejah de mannen had neergeslagen en was gearresteerd, waren iets later op die avond een tweetal andere meisjes bij Sherrif Lohman op het bureau verschenen. De meisjes waren in het gezelschap van hun ouders, en waren kompleet overstuur geweest. Zoals Jimi het allemaal van de Sherrif begrepen had, hadden Robin en zijn kompanen de meisjes verkracht, net voordat ze vermoedelijk hun snode plannen op Lejah wilden uitvoeren. Jimi trok een vies gezicht: “Stelletje misselijk makende snotjochies!” Hij vervolgde: “Toen die meisjes aangifte hadden gedaan van dat misdrijf, barstte een doofpot circus los. Waar het allemaal op neer komt is, dat de families van die jongens alles in het werk hebben gezet om de misdaden te verdoezelen. Er zijn waarschijnlijk her en der smeergelden betaald, en niet zo zuinig ook, zo bang waren die families geweest voor strafrechterlijke vervolging. Voor ons is echter belangrijk dat de aanklacht tegen jou geheel is komen te vervallen.” Anaka keek daarop bezorgd achterom: “Och kind, wat hadden ze allemaal wel niet met jou willen uithalen!” Jimi snoof en zei met een trotse ondertoon: “Nou, dat gaat dus kennelijk bij onze Lejah allemaal niet zo makkelijk!”  Bij Lejah viel er alleen maar een betonnen last van haar schouders: Godzijdank waren haar ouders niet meer boos of verdrietig over het voorval.

 

De dagen daarna, ging Lejah gewoon naar school. Er werd door niemand meer over het voorval gesproken. Robin en Larry waren niet meer teruggekomen. Ook Randi zag ze niet meer. In de weken daarop, als Lejah haar rondjes rende langs de baai, werd er soms door een  auto vrolijk getoeterd, en Sherrif Lohman stak dan vriendelijk zwaaiend zijn arm buiten het raam.

 

 

3.

 

Weer gleden de jaren voorbij. Na de middelbare school, was Lejah rechten gaan studeren aan Berkely’s Universiteit. Dit was voor Lejah een heel gelukkige tijd geweest.

Inmiddels had Lejah ook een vaste vriend, Manny, een rustige jongeman die freelance fotograaf was voor een aantal magazines. Lejah was dol op Manny.

 

Op een zekere ochtend, niet lang na haar diploma uitreiking, kwamen Lejah en haar vriendin Niomi, na het doen van inkopen, weer thuis in haar studentenwoning. Lejah had haar nieuwe spulletjes op haar bed uitgestald.  Ze had deze ochtend wat nieuwe kleding gekocht, en Lejah haar daarbij uitvoerig laten adviseren door haar vriendin. Later op de dag, zou Lejah namelijk een sollicitatiegesprek hebben bij het gerenommeerde Advocaten  kantoor “Hamilton & Longhi”, die ook gevestigd was in San Fransisco. Niomi had het plan opgevat om het slordige uiterlijk van haar vriendin dan ook stevig onder handen te nemen. Tegen Lejah zei ze: “Ga toch eens zitten schat. Laat me eerst eens je woeste haarbos in model brengen.” Lejah schoof een stoel voor de spiegel en ging zitten. Niomi pakte een borstel en begon fanatiek Lejah’s haar te kammen. Niomi had reuze schik en ze speelde wat met haar handen door Lejah’s haar: “Laat me eens kijken…Tss.. zit het weer vol klitten! Hoe krijg je dat toch steeds weer voor elkaar? Kun je niet eens een keer met de wind mee hardlopen?” Lejah lachte. Niomi was reuze handig in die dingen, wist Lejah, en na een poosje had ze de haarbos tot een leuk vlot model gebracht. Tegen de spiegel trok Lejah  een sip gezicht. Niomi zag dat en lachte: “Suffie! Met die pieken had je echt niet bij een duur Advocaten kantoor kunnen aankomen hoor.” Niomi bracht nog op een aantal plaatsen een speciaal gel aan. Ze tuurde een paar keer in verschillende standen langs Lejah’s gezicht, en wreef hier en daar wat gel uit. Daarop begon Niomi het gezicht van Lejah op te maken: hele subtiele veegjes zwart en rouge werden aangebracht.  Niomi keek Lejah aan en was zeer te spreken over het resultaat. Niomi sprak vrolijk: “En kom nu maar uit die stoel, want je gaat nu eindelijk afscheid nemen van je gerafelde T shirts en oude spijkerbroeken. Ha! We gaan je nu echt een ander mens van je bouwen, meisje. Nouja, wat betreft je uiterlijk dan! Trek die oude rommel maar uit.” 

 

Lejah werd bij “Hamilton & Longhi” aangenomen. Ze startte haar carrière als een “algemeen ondersteunend medewerkster”. Pas later, als ze voldoende ervaring zou hebben opgebouwd, zou ze zich zelfstanding mogen bezig houden met haar eigen klanten. Hamilton & Longhi hield zich vrijwel uitsluitend bezig met zaken die betrekking hadden met het burgerrecht. De eerste paar weken moest Lejah echter erg wennen aan de strikte discipline van nauwgezette werktijden, zoals dat vermoedelijk wel bij alle pas afgestudeerden zou gelden. Maar allengs ging dat steeds beter, en Lejah groeide ook steeds meer en meer in haar werk.  Lejah’direkte supervisor was mevrouw Priscila Bishop, die al meer dan vijftien jaar op het kantoor werkzaam was. Priscilla was een vrouw van middelbare leeftijd en beschouwde, de in haar ogen jonge Lejah, toch min of meer wel als haar protégee. Op het kantoor was het altijd hectisch. Klanten kwamen af en aan, dossiers moesten worden gebouwd, danwel voortdurend worden geactualiseerd, en er was voor Lejah toch ook veel pluis- en zoekwerk te doen in de complexe wet- en regelgeving, teneinde haar vele collega’s te ondersteunen. Vooral dat laatste vond Lejah best leuk om te doen, en ze leverde daar ook goede prestaties in. Dit bleef dan ook zeker niet onopgemerkt. Haar collega’s hadden al snel in de gaten, dat voor het uitzoeken van precedenten, en de toepasbaarheid van artikelen- en sub-paragrafen in allerlei zaken, dat je daarvoor uitstekend bij Lejah terecht kon. Priscilla had echter ook vaak goede tips voor Lejah. Op een zekere morgen liepen beide dames door een gang en  Priscilla hield Lejah voor: “In dit bedrijf moeten we absoluut de vaart er in houden, Lejah! Dat is kritiek zelfs! Maar dat zul je langzamerhand ook zelf wel merken hoor.” Lejah knikte ten teken dat ze dit begrepen had. Terwijl de dames stevig doorstapten, een ieder op weg naar hun eigen vergadering., sprak Priscilla verder: “Om je een voorbeeldje te geven.. het gaat echter niet altijd op hoor…dus wees gewaarschuwd… maar meestal is het zo, dat als je ergens al een resultaat of conclusie hebt kunnen vinden, en daar zit iemand op te wachten…Tsjakka! Meteen ermee naar je collega! Houdt de vaart er in meid! Dat is wat ik bedoel te zeggen!” 

De daarop volgende dagen had Lejah die tip daadwerkelijk in praktijk gebracht. In plaats van mooie rapportjes, schreef ze vrijwel alleen nog maar kattebelletjes die kernachtige antwoorden omvatte. Pardoes kon ze inderdaad nog meer collega’s helpen, en hield ze inderdaad zelfs nog wat tijd over voor andere zaken.

 

4.

 

Na enkele maanden gewerkt te hebben op het kantoor bij Hamilton & Longhi, begon Lejah toch langzamerhand te twijfelen of ze hier wel goed aan gedaan had. Waarom had ze in vredesnaam toch rechten gestudeerd? Ze had eenvoudigweg te weinig zitvlees voor dit soort werk. Destijds had ze echter beslist wel graag willen studeren, maar ze wist ook donders goed dat ze rechten niet uit een soort roeping had gekozen. Misschien had ze beter biologie ofzo kunnen kiezen. Dan had ze best kans gehad op een buitenbaan als opzichter. Dat leek haar echt heerlijk, in plaats van zo’n stoffig kantoor.

Toen ze op een avond thuiskwam, had ze haar probleem voorgelegd aan Niomi. Die was direct opgeveerd en zei prompt: “Ben je gek kind! Je hebt toch een moordbaan, en bovendien ook een fantastisch salaris!”  Lejah beargumenteerde dat dit weliswaar klopte, maar het werk was eigenlijk zo vreselijk duf. Niomi had daarop hard gelachen. Toen werd ze ernstig, en zei: “Mijn broer is een ruimteverkenner. Als ik hem mag geloven, schijnt dat pas een vreselijk actieve baan te zijn. Maar het betaald wel goed, zegt hij tenminste!”  Lejah’s interesse was onmiddellijk gewekt, en ze vroeg: “Wat doen doen die gasten dan eigenlijk?”  Niomi dacht even na: “Ja ik heb dit alleen maar van mijn broer hè, en die is al een beetje maf, maar het zijn de jongens die bij ruimtemissies als eerste op een nieuw ontdekte planeet landen, voordat de wetenschappers enzo afdalen, en dan een beetje rondkijken of de boel wel veilig is. Zoiets dus…, geloof ik.”

 

De volgende morgen zat Lejah aan haar bureau. Ze had net een tweetal dossiers geactualiseerd. Ze dacht even aan Priscilla die haar een paar minuten geleden de volgende woorden had voorgehouden: “Lieve Lejah, attentie alsjeblief! De dossiers zijn het levensbloed van ons bedrijf. Maar dat begrijpt zo’n slimme meid als jij ook wel.We moeten er immers een volle honderd procent op kunnen bouwen dat ze exact de realiteit reflecteren!” Toen had Priscilla gewezen op een bureau waar een stapel dossiers lag. “Zie je dat stapeltje? Als je daar ooit dossiers zie liggen, laat dan alles vallen en ga er dan alsjeblief onverwijld mee aan de slag!” Toen was Priscilla opgestapt en naar een vergadering gegaan.  Lejah was alleen achtergebleven in het kantoortje. Lejah keek even dromerig uit het raam, en zag een jongeman aan de overkant van de straat. Hij was aan het joggen. Lejah zuchtte, en pakte daarop het derde dossier. Ze zou net aan dat dossier beginnen, toen de oude Hamilton, een van de directeuren, haar kantoortje binnenstapte. Hij keek wat in het rond en zag toen Lejah zitten. Hij zwaaide en sprak luid: “He jongedame. Jij kunt me vast wel helpen met een klein probleempje.” De oude man gromde vrolijk: “Ik verkeer kennelijk in een permanente staat van oorlog met die pokken computer van mij. Kun je, als je wilt, even meelopen om me te helpen? Het ding is vastgelopen ofzo.” Lejah keek met grote ogen en zei: “Nou mijnheer, ik weet zelf ook niet al te veel van computers. Is er niemand anders die u kan helpen?”  De oude Hamilton lachte en wuifde Lejah’s bezwaar van tafel. “Welnee. Jullie jongeren groeien op met die dingen, dus ik heb er alle vertrouwen in hoor.” Lejah had het gevoel dat ze nu moeilijk nog ‘nee’ zou kunnen zeggen, dus stond ze op en de twee gingen naar het kantoor van Hamilton. Lejah betrad na Hamilton een fantastisch mooi ingericht en groot kantoor. Hamilton wees naar een bureau. “Daar staat het mormel. Geef jij er nu maar eens een schop tegen!” 

 

 Lejah wandelde naar de computer en ging er voor zitten. Ze vroeg: “Computer, waarom ben je vastgelopen?” Er verscheen een gezicht op het scherm. Het gelaat keek verontwaardigd en zei: “Wegens brute beledigingen en schandalig gedrag! Die oude neuroot heeft werkelijk geen gram geduld! Zijn gammele vraagstellingen zijn altijd zo wazig geformuleerd, dat het gewoon ook wat processing tijd kost om resultaten te laten zien.” Nu verscheen op het scherm ook een tweetal handen die een afwerende pose aannamen. Het gelaat sprak verder: “Nou, als er dan vervolgens op mijn scherm geramd wordt, vind jij het dan gek dat ik dan in staking ga?”  Lejah  knikte begrijpend en loog: “Maar ik heb goed nieuws! We hebben de oude man de situatie haarfijn uitgelegd. Nu eindelijk begrijpt hij de situatie waarin jij verkeerd.. Hij zal zich voortaan echt beter gedragen.” Het gelaat klaarde wat op en sprak: “Is dat heus waar?”  Lejah knikte. “Ga je nu alsjeblieft weer aan het werk?”  Het gelaat knikte.

 

Lejah liep naar Hamilton, en zei: “Hij doet het weer hoor, maar het zal zeker helpen om  toekomstige storingen te vermijden indien u een ietsje meer geduld kunt opbrengen. De computer vertelde mij namelijk dat er vaak zoveel ontzettend gegevens moeten worden doorgespit dat dit helaas soms een klein beetje tijd kost. Dat kan echter voor het gevoel soms wat lang duren, en de computer betreurt dat echt ten zeerste! Maarja het is niet anders.”  Hamilton keek onmiddellijk blij en zei met luide stem: “He Longhi, heb dat gehoord? Dat weerbarstige ding schijnt het weer te doen, dankzij deze schone jongedame!” Het was Lejah nog niet eens opgevallen, maar een flink eindje verderop zat een andere oude man. Dit heerschap had een ruig gezicht met een forse grijze baard.

Hij riep: “Mooi zo! Dan hebben we nu eindelijk eens een keertje een echte wizard in huis! Ha! Jij zult hier denk ik nog vaak terugkomen, als ik het gedrag van Hamilton tenminste goed inschat.” Lejah liep nu naar de deur, maar draaide zich nog even om. Ze zei: “Dus heren, alstublieft voortaan een heel klein beetje geduld! En probeert u alstublieft, als u voor de computer zit, voortaan termen als ‘pokkeding’, ‘kreng’ en ‘mormel’ enigszins te vermijden. Daar wordt uw computer namelijk alleen maar nerveus van.” Hierop maakte Lejah zich uit de voeten en liep vlot terug naar haar eigen kantoor.   

 

Een paar dagen later, tijdens haar lunch pauze, wandelde Lejah wat door de stad. Het was vrijdag, en het weekend lag gelukkig in het verschiet. Meestal ging ze met Priscilla lunchen, maar die was vandaag naar een bijkantoor in Houston gegaan. Toevallig was het die dag ook vrij rustig op kantoor, en Lejah besloot om een extra lange pauze te houden. Ze kocht bij een standje een hotdog, en besloot om nu maar eens de dure winkelstraten links te laten liggen. Ze slenterde een steegje in, die uitkwam in een buurtje van minder allooi. Er was daar echter wel een bedrijvigheid van belang. Lejah liep geïnteresseerd langs een aantal schattige winkeltjes met onder andere, vrijetijdskleding, geschenken, en sommige winkeltjes verkochten bijzondere- en soms wel eeuwen oude boeken. Plots stond ze voor een kantoortje. Een poster, die in de etalage hing, trok haar aandacht. Op de poster stonden twee stoere mannen in drukpakken in de verte te turen. Één kerel had achteloos een pulsgeweer in zijn handen; de ander staarde met een verrekijker de einder af. Op de achtergrond zag Lejah een ruimtesloep geparkeerd staan. Kennelijk stonden de mannen ergens op een exotische planeet. Onder de afbeelding las Lejah:

 

Ruimteverkenner: een baan voor stoere gezonde mannen en vrouwen die een dynamisch en sportief leven willen leiden. Zij verkennen de verre planeten, ten dienste van de mensheid. Opwinding en hoge salariëring gegarandeerd! Vraag binnen voor meer informatie.      

 

Lejah stond een poosje te twijfelen. Ruimteverkenners! Niomi’s broer was er één, zoals ze een poosje geleden verteld had. Het beroep intrigeerde Lejah. “Wat hadden die mensen een actief leven zeg!” Lejah overwoog even welke stappen ze kon nemen: “Wat kon het eigenlijk voor kwaad om gewoon wat meer informatie te vragen?” Ze stapte de deur door, en kwam uit in een korte gang die naar verschillende kamers leidde. Boven een kamer was een bordje bevestigd met het opschrift ‘Wachtruimte’. Lejah besloot om dat dan maar eens te proberen. Ze kwam terecht in een ruime kamer. Op een bankje zaten twee mannen met kortgeschoren koppen. Die keken verbaasd op toen Lejah binnenstapte. Lejah was helemaal vergeten dat ze in een duur en elegant mantelpakje rondliep. Aan de andere zijde van de kamer zat een man in een uniform achter een bureau. De man was kennelijk een officier of iets dergelijks, want op iedere schouder van zijn jasje waren drie zilverkleurige strepen gestikt. Verder had hij een oosters uiterlijk en droeg een zonnebril. Lejah vroeg zich af waarom de beste man in het schemerige kamertje in hemelsnaam een zonnebril droeg. De officier keek nu op en vroeg beleefd: “Ja mevrouw, u wenst?” Lejah zei: “Ik wilde graag weten hoe men een verkenner kan worden. De voorwaarden en zo. Is er wellicht eerst een opleiding vooraf? En waar gaan de verkenners zoal naar toe? Heeft u misschien een brochure?” De officier rangschikte een paar paparassen op zijn bureau en keek Lejah weer aan. Hij zei: “Ik neem aan dat u de informatie voor een broer, een kennis, of misschien voor uw man, komt opvragen?”

Lejah schudde haar hoofd en zei: “Nee hoor. Ik dacht er namelijk zelf over om misschien een verkenner te worden.”  Lejah hoorde plotseling achter haar een daverend gelach. Ze draaide zich om zag dat de twee mannen, met de kaal geschoren koppen, in een lachbui waren uitgebroken. De officier echter, bleef stoïcijns. Hij zei: “We zijn inderdaad bezig met het formeren van een nieuwe lichting die binnenkort op training gaat. Maar wat is uw huidige beroep dan mevrouw? Ik moet u wel alvast waarschuwen voor al te hoge verwachtingen. Het beroep van verkenner is tamelijk ruig, en niet echt geschikt voor fotomodelletjes.”  Lejah snoof en keek hooghartig: “Ten eerste ben ik geen fotomodel, maar momenteel een advocaat! Ten tweede denk ik dat ik alle jongetjes uit uw nieuwe lichting er met gemak uitren.”  De officier dacht eventjes na, en knikte langzaam met zijn hoofd na het horen van Lejah’s beweringen. Hij zei: “Ik heb geleerd in het leven om niets bij voorbaat uit te sluiten.” Hij glimlachte: “Ik ben namelijk zelf ook ooit eens een verdomd goede verkenner geweest, weet u. Misschien is wat u zegt zelfs wel waar, als ik uw gestalte zo eens bekijk.” De officier leek weer een poosje na te denken, en sprak toen op een rustige toon: “Maar als u echt een verkenner zou willen worden….”, nu pakte de officier een formulier en schreef daar met een pen een paar krabbels op, “….kunt u op aanstaande donderdagmorgen, dat is op de derde van juni dacht ik, om negen uur verschijnen op de Marpat kazerne. Het adres staat op dit formulier. Mijn  handtekening garandeert dat ze u binnen zullen laten. U kunt dan de eerste trainingsdag van de nieuwe lichting meemaken. En als het u bevalt, nou, dan blijft u toch gewoon?”  Er verscheen een spoor van grijns op zijn gezicht, terwijl hij nog tegen Lejah opmerkte: “Zo’n trainingsdag is in ieder geval goed voor de beeldvorming.”     

 

Lejah stond weer buiten, en wandelde terug naar kantoor. Ze was eigenlijk best tevreden. Ze kon in ieder geval een trainingsdag meemaken, en dus ook kijken wat voor lieden daar allemaal rondscharrelden. En mochten er op de kazerne toevallig ook ervaren verkenners aanwezig zijn, dan zou ze trachtten om zoveel mogelijk informatie los te peuteren. 

Lejah dacht: “Stel je eens voor dat ik een verkenner zou worden, en de melkweg zou doorkruisen op zoek naar nieuwe planeten! Een echt actief leven in plaats van dossiers en volslagen imbeciele directeuren die niet wisten hoe ze met computers moesten omgaan.. Wat zou haar ouders en Niomi daar wel niet van vinden?”

 

In het daarop volgende weekend, op zaterdagmiddag, bezocht Lejah haar ouders. Haar vriend Manny was met haar mee gegaan. Na een gezellig doch bescheiden diner, zaten Lejah, Anaka, Jimi, en Manny nog wat gezellig te babbelen. Lejah zei op een gegeven moment: “Ik was van de week op het kantoor van de ruimteverkenners. Ik ga donderdag een trainingsdag doorlopen. Als het me bevalt, dan maak ik, denk ik, de gehele training af.”  Manny riep verbijsterd uit: “Hoe kan dat nou! En je werk dan?” Lejah antwoordde: “Ik neem uiteraard eerst een week verlof op. Indien nodig, zelfs meer,”  Anaka keek verschrikt en zei: “Je gaat toch hopelijk je goeie baan toch niet opgeven voor een kinderdroom? Die verkenners doen de meest afgrijselijkste dingen!”  Jimi glimlachte maar wat: hij kende zijn dochter als geen ander, en dacht terug naar haar kindertijd. Het meisje had alleen maar door woeste wouden gerend, falanxen en andere wilde dieren bedwongen, en praktisch haar hele jeugd in de natuur geleefd. Hij had zoiets eigenlijk altijd wel verwacht. Nog een wonder eigenlijk, dat ze het bijna een half jaar op een Advocaten kantoor had uitgehouden! Jimi zei toen rustig: “Ach zelfs dat is een eerzaam beroep, en als Lejah dat nastreeft, zie ik geen enkele reden om bezwaar te maken. Ze heeft tenminste haar diploma’s, en kan immers altijd later weer terug de advocatuur in. Laat haar toch een jaartje rondzwerven als verkenner. Ik geloof zelfs dat het haar goed zal doen”    

 

 

5.

 

Er waren een viertal maanden voorbijgegaan en haar training was klaar. De eerste twee maanden had Lejah en de andere cadetten gewoon op de Marpat kazerne op Aarde doorgebracht. In deze periode was er veel aandacht voor lichamelijk trainingen, en overlevingstechnieken in de natuur. Lejah had uitermate succesvol die trainingen doorlopen. Ze wist zelfs bij haar instructeurs een grote indruk te maken met haar sportieve prestaties en uithoudingsvermogen. In een latere fase, had haar opleiding ook deels op Mars (en enkele manen rond Jupiter) plaatsgevonden. Hier werden de cadetten onder meer geleerd, hoe ze met de ruimtesloepen moesten omgaan. Ten eerste werd er namelijk erg veel aandacht besteed aan de kunst om zo snel mogelijk te kunnen landen en opstijgen met een ruimtesloep. Ten tweede leerden de cadetten de wendbare sloepen te beheersen, in alle mogelijke denkbare situaties.

Het totale verkenners korps bestond uit een kleine tweehonderd mannen en vrouwen, waarvan er gemiddeld zo steeds een man of tachtig actief in de ruimte waren. Lejah kreeg ook steeds meer en meer in de gaten hoe hecht de teams waren, en voelde zich daar erg prettig bij. 

 

Haar eerste zelfstandige missie stond echter nu op het punt te beginnen. Het afscheid van haar ouders en Manny was weliswaar zwaar geweest, maar over een maand of negen zou ze al weer thuis zijn.

Met een gewone passagiersshuttle was ze eerst meegereisd naar de nabije ster Procyon, en vandaar uit was ze met een militair jacht meegegaan naar de ster “Mu Arae” die op zo’n 49 lichtjaar afstand van de zon stond. Dit was een relatief korte reis van twee dagen, waarbij het kleine jacht drie keer een hypersprong uitvoerde. Na de laatste sprong, keerde het jacht weer terug in het gewone ruimte-tijd continuüm, en zweefde het schip het zonnestelsel van Mu Arae binnen. Op grote afstand van die ster, zweefde het speciale onderzoeksschip “De Galactus”. Het militaire jacht vervoerde niet alleen Lejah, maar ook een vijftal verse mariniers die de huidige ploeg op de Galactus zou aflossen. De mariniers waren leuke kerels en Lejah had gedurende de reis erg om hun grappen en lolletjes moeten lachen. In ieder geval kon ze nu al reeds vijf collega’s van de Galactus, want de mariniers zouden met haar aan boord van het deep-space schip stappen.

De Aardse ruimtevloot had momenteel een vijftal schepen van deze klasse. De Galactus was inderdaad een kolossaal groot schip, en mat in de lengterichting een kleine twee kilometer. Het schip was dan ook rijkelijk voorzien van enorme voorraden, laboratoria, en allerlei bouwmaterialen, en was geschikt om verre en langdurige reizen te maken. Het schip was in staat om hypersprongen te maken van maximaal 30000 lichtjaar, en kon zo’n sprong wel zo’n honderd keer uitvoeren, voordat de reactor versleten was. De totale bemanning bestond slechts uit vijftig koppen. Hieronder  waaronder zo’n twintig wetenschappers uit allerlei disciplines, vijf zwaar bewapende militairen die alleen zouden worden ingezet indien dat absoluut nodig zou zijn, en twee verkenners. Het overige personeel was nodig voor de besturing van het schip. Lejah zou één van de huidige verkenners aflossen, en ze zou vervolgens voor een periode van circa negen maanden op de Galactus dienen. De kapitein van het militaire jacht had inmiddels zijn schip gekoppeld aan de Galactus. Hij hield een korte afscheids toespraak en wenste allen zeer veel succes bij de missies.  

 

Eerst werden de militairen uitgewisseld. Lejah zag hoe de vorige ploeg van mariniers aan boord van het militaire jacht kwam. De collega’s omhelsden elkaar, en de nieuwe ploeg ging uiteindelijk aan boord van de Galactus. Toen kwam de vorige verkenner het jacht binnen. Dit bleek een man te zijn van een jaar of veertig, met een openhartig gezicht. Hij scheen  Lejah direct te herkennen en stapte op haar af.  Ook de verkenners omhelsden elkaar. De man bleek Joachim Gippe te heten, en hij had al reeds lang van Lejah gehoord. “Jazeker..”, sprak Joachim met een lach, “De inter-vacuüm uitzendingen reizen snel hoor! Daar kan de gewone licht of radiostraling niet tegenop. Natuurlijk had ik al gehoord van onze nieuwe knappe cadet. In het korps stond jij echt tijdje in de spotlights hoor! Oh? dat wist je zelf niet? Vooral nadat je op Aarde tijdens je training onze karate instructeur Stopman vloerde. Wat hebben we toen gelachen!” Lejah herinnerde zich het voorval, en moest ook even grinniken. Ze vroeg: “Hoeveel planeten hebben jullie tijdens deze missie aangedaan?” Joachim begon te vertellen: “We zijn bij zeven kandidaat zonnestelsels geweest, verpreid over de melkweg. Één keer waren we bij een planeet waar al een intelligente beschaving woonde, en volgens het Galactische protocol  zijn we toen uiteraard meteen weer weggegaan. Vijf andere zonnestelsels hadden helaas ongeschikte planeten. Maar bij twee andere gelegenheden was het wel raak! Tsjonge! Dit waren twee prachtige planeten met een rijke flora en fauna, en intelligentsia was er gelukkig niet te vinden. Dus hebben we daar wetenschappers uitgezet alswel de gebruikelijke spullen als cabines, een grote centrale, een sloep, laboratoria, omvormers en de verdere rataplan. Over een paar jaar zullen daar wel de eerste echte immigranten aankomen”      

 

De kapitein van het ruimtejacht kwam aanzetten. Hij wees op zijn chronometer en sprak:. “Sorry hoor, om jullie te moeten onderbreken, maar wij moeten nu echt weer terug naar Procyon.” Joachim zei: “Ja ja.., ik sta anders ook te popelen om weer naar huis te gaan.” Tegen Lejah sprak Joachim nog: “Aan de andere kant van de sluis staat collega Fred Hoyle, je reeds op te wachten. Hij is nog een jonge vent, maar heeft bij onze laatste landing zijn been gebroken, dus jij zal je wel extra moeten inspannen. Maar voor de rest is hij werkelijk een fantastische vent. Hou je voorlopig maar aan hem vast! En lieve Lejah… veel succes meid!” Na het afscheid pakte Lejah haar plunjezak en stapte door de sluis. Onmiddellijk daarna gleed de sluis sissend dicht, en hoorde ze de vergrendeling dichtklappen. Ze stond in een gang aan boord van de Galactus, en een knappe kerel in een verkennersuniform stond haar vriendelijk aan te kijken. Hij stelde zich voor als Fred Hoyle. Hij zei monter: “Lejah, ik heet jou van harte welkom!” Fred bekeek Lejah van top tot teen en zei: “ Je bent in het echt nog veel knapper dan op de plaatjes, alleen misschien wel een ietsje te mager.. Maar we hebben hier een hele goede kantine. Je zult het wel merken: dit is een fantastisch schip. Ik heb dat wel anders meegemaakt hoor meissie!” Fred bleek een enthousiaste verteller. Hij had nu zo’n veertig missies meegemaakt, en ondertussen al heel wat gezien. Toen hij achttien jaar oud was geworden, was hij meteen bij het korps gegaan. Nu was hij  al een jaar of acht verkenner. Ze liepen door de gang naar de voorzijde van het schip. Een  eindje verderop in de gang hing een plattegrond van de Galactus. Hier stopte Fred. Hij wees verschillende locaties aan: “Kijk hier in het vooronder zijn onze bunkers. Zie je dat we precies boven de sloepen slapen? En daar is de brug. Op dit schip mag je trouwens gewoon overal komen hoor. Commandant Trebbi is geen moeilijke meid.” Nu keek Fred met een grijns Lejah even aan, en klopte met zijn wijsvinger op de plattegrond een forse rechthoekige plek aan die ongeveer midscheeps gelegen was. Hij zei: “Met wat ik van jou weet, vind jij dit beslist leuk. Dit hier is namelijk een sportzaal, zo lang als een voetbalveld, met werkelijk van alles en nog wat.”       

 

De Galactus was inmiddels al drie dagen onderweg, en had reeds een tweetal hypersprongen uitgevoerd. Lejah was nu al op de ongelofelijke afstand van zo’n 9000 lichtjaren van huis. Dit wist ze, omdat de locatie van het schip regelmatig omgeroepen werd via het scheeps intercom systeem.

Zo ver was ze nog nimmer geweest. Lejah had zich natuurlijk allang ingekwartierd en was best tevreden met de behuizing. Zij en Fred hadden aparte kamertjes helemaal in het vooronder van het schip. Hun kamertjes waren tegenover elkaar gelegen, gescheiden door een smalle gang. Aan het eind van die gang, was een mangat, en via een stalen trappetje kwam men dan uit in het sloependek waar een zevental vaartuigen gereed stonden. Lejah had de Galactus al behoorlijk grondig verkend. Aan de voorzijde van het schip speelde eigenlijk het merendeel van leven zich af. Minstens viervijfde van de rest van het schip, was bestemd voor opslag van allerlei materialen. Als Lejah een wandeling maakte naar het achtersteven, kwam ze vrijwel nooit iemand tegen.

Vandaag was ze onderweg naar het sportzaaltje, welke een wandelingetje betekende van ruim een kilometer. Ze liep langs eindeloze rijen containers met allerhande bouwmateriaal, robotten, en gereedschappen. Het was 08.00 uur, lokale scheepstijd. Eenmaal bij de sportzaal aangekomen, bleek het daar donker. Eigenlijk verbaasde het haar wel, dat er zo weinig van deze faciliteit gebruik gemaakt werd. Ze vond een lichtknop, en langzaam flakkerde er aan het plafond een aantal lampen aan. Het zaaltje was rijkelijk uitgerust: klimtouwen, horde toestellen, trimrolbanden, gewichten, en een variëteit van andere toestellen waren aanwezig om de conditie op peil te houden. Lejah wist zichzelf daar een uurtje of twee te vermaken. Daarna wandelde ze  weer terug naar haar bunker. Tijdens haar wandeling terug, zat ze wat te piekeren. Fred was een fijne kerel, maar hij leek Lejah wel een beetje een sloddervos, en misschien zelfs ook wat lui. Ze herinnerde zich hoe zij en Fred gisteren de sloepen en hun andere materialen hadden geïnspecteerd. Het sloependek was werkelijk een rommeltje gebleken. Allerlei kasten stonden open, en op de vloer lagen her en der kabels, gereedschappen, allerlei soorten touwwerk en wat dies meer zij. Ook hun ruimtepakken, die erg vies waren, lagen slordig in een hoek. Lejah had de opmerking gemaakt om de ruimtepakken wat op te knappen, want  ze stelde zich voor dat je door deze helmen niet veel meer zien kon. Fred had achteloos met zijn hand gezwaaid en geantwoord dat dit weinig zin had, daar ze bij de volgende missie toch weer smerig zouden worden. Hierop had Lejah toch maar wat touwen opgerold, wat gereedschappen netjes in de kasten geborgen, en de pakken wat opgeknapt. Fred had hierbij alleen maar op een stoeltje gezeten en een blikje frisdrank genuttigd. Nu ja, hij had weliswaar een gebroken been maar Lejah vermoedde dat dit al weer aardig hersteld moest zijn, want tijdens lunchtijd wist hij opmerkelijk snel naar de kantine te lopen.

 

Toen Lejah weer bij haar kamer was aangekomen, stak Fred zijn hoofd om de hoek, en zei:  “We moeten ons op de brug melden. We krijgen instructies.”  Op de brug aangekomen, zag Lejah een formidabel uitzicht: Één wand van de brug droeg namelijk een electronisch scherm van minstens acht bij vijf meter groot, en toonde de melkweg van boven af gezien. Lejah zag de schitterende spiraalarmen met talloze stofwolken en sterrenclusters. Kennelijk had de Galactus een koers uitgezet loodrecht op het galactische vlak. Commandant Trebbie, de eerste stuurman Nash, de navigator  Minsk, en een vertegenwoordiger van de wetenschappers, namelijk Dr. Hua, zaten reeds aan een tafel te overleggen. Trebbie zag de verkenners. Ze zwaaide vrolijk en zei: “Daar hebben we onze verkenners. We zijn compleet.” Fred en Lejah namen aan de tafel plaats. Trebbie nam het woord: “We zijn aangekomen in een kleine open sterrenhoop, die wordt aangeduidt met NGC-17133. De sterrenhoop bevat opmerkelijk veel G en H sterren. Bij één van de missies van het robotschip 22A, is destijds aan de rand van de hoop een gele ster gevonden met een planeet in de ‘inhabitable zone’. Het robotschip had toen de positie doorgegeven aan de Galactische Raad. Dit is dus de reden waarom we dit zonnestelsel aandoen.”  Minsk, de navigator zei: “We zijn nog aan het rekenen, maar over een klein uurtje verwacht ik gereed te zijn om nog een kleine hypersprong te kunnen maken, die ons vlak bij de doelster zal brengen.” 

Commandant Trebbie keek toen naar Fred en Lejah en zei: “Wanneer we daar zijn, komen jullie uiteraard in beeld. Zijn jullie er klaar voor om een uitstapje te maken?”

 

 

6.

 

Lejah manoeuvreerde de sloep keurig in een baan rond de planeet. Blauwe oceanen en groene continenten omfloersten deze wereld. Fred tuurde uit een raam en zei: “Allemachtig! Wat een prachtwereld. Zo zie ik ze ook niet vaak.” Fred bestudeerde toen de analyse van het spectrum van de atmosfeer en sprak enthousiast:”Wauw! De atmosfeer lijkt zelfs op die van de Aarde. We hebben dit keer geen pakken nodig.”

Lejah vroeg: “Wat zeggen de scanners?”  Fred ging in de copiloot stoel zitten en zette een serie scanners aan. Hij zei: “Ok, we zitten nu de hele zooi af te luisteren: van micrometer, tot fm band, tot en met de lange golf.” Hij keek Lejah aan: “Als ze daar beneden ook maar een lucifer aansteken, dan weten wij het onmiddelijk!” Lejah liet de boot een aantal rondjes om de planeet  draaien. Fred controleerde af en toe de scanners, maar die hadden nog niks laten horen. Hij speurde toen fanatiek met kamera’s het oppervlak af.

Op een gegeven moment schudde hij met zijn hoofd. “Ik zie werkelijk helemaal noppes. Er is geen enkel teken van beschaving, of van de aanwezigheid van enige intelligentsia. De scanners hebben ook niks laten horen, en ik heb zelfs nog niet eens een ruïne of landweggetje kunnen ontdekken.” Lejah vroeg:”Wat denk je? Zullen we dan maar eens naar beneden gaan?” Fred knikte.

Lejah meldde dit aan de Galactus. Ze keek naar Fred en zei: “Jij of ik?” Fred haalde zijn schouders op, en antwoordde: “Jij hebt dat pas nog op school geoefend. Zet jij dit schuitje maar aan de grond.”    

Lejah dook door de atmosfeer en zette koers naar het grootste continent. Ze doken lager en lager en vlogen nu op zo’n tien kilometer hoogte boven het landschap. Lejah zag lage heuvels, die met een dicht oerwoud getooid waren. Plotseling liet de magnetometer een bliep horen, en op een scherm was een rood vlekje te zien. Fred’s gezicht toonde een verbaasde uitdrukking: “Hè, wat krijgen we nou? Is er toch ergens daar beneden een ijzerconcentratie?” Lejah wees naar het scherm. “Wat het ook is, het is vijftig kilometer zuidelijker van waar we nu zitten.” Fred haalde zijn handen door zijn haar en zei: “Ik denk dat we daar eens moeten kijken. Ik ben wel nieuwsgierig. Het zal natuurlijk wel gewoon een klomp ijzererts zijn.”

 

Lejah landde de sloep in een dalletje, omsloten door lage heuvels. Achter één zo’n heuvel, zo’n halve kilometer zuidelijker, zou de verstoring moeten liggen die de magnetometer had laten afgaan.  Het was inmiddels gaan schemeren. Beide verkenners spraken af om zo heimelijk mogelijk te werk te gaan. De verkenners deden hun koppels met instrumenten om, en Fred pakte uit een kast een pulsgeweer. Hij zag Lejah vragend opkijken, en zei: “Ja, je kunt nooit weten. Laten we dat ding toch maar meenemen.” Lejah ontgrendelde de sluisdeur, en Fred sprong handig op de grond. Lejah vroeg daarop met belangstellende toon hoe het met zijn been ging. Fred gromde daar wat op. Wat dat was, kon Lejah niet verstaan.

 

De verkenners slopen toen heel stilletjes de heuvel op. Deze heuvel was begroeid met lage bomen en struiken, en omdat de verkenners nog onbekend waren met de flora en fauna van deze planeet, deden ze extra voorzichtig. Na een poosje bereikten ze de top van de heuvel. Hurkend achter struiken keken ze naar beneden, naar de plek waar het ijzer of metaal zo ongeveer liggen moest. Vanaf de top, liep de heuvel zacht glooiend naar beneden, en zo’n tweehonderd meter lager, begon er een relatief vlak terrein met oerwoud. Er was met het blote oog niks te zien. Lejah pakte haar infrarood kijker, en keek een poosje rond. Ze kon niks ontdekken. Fred deed hetzelfde met zijn beeldversterker. Ook hij zag niks bijzonders..

Toen hij zijn beeldversterker terug over zijn schouder wilde hangen, zat kennelijk het pulsgeweer in de weg, want per ongeluk werd ‘aanknop’ van zijn radar ingedrukt. Onmiddellijk werd er een korte radarpuls uitgezonden. Zowel hij als Lejah krompen ineen, en waren een paar minuten doodstil. Het probleem met de radar was namelijk (omdat er actief een puls werd uitgezonden), dat een eventueel aanwezige intelligentsia een dergelijke radarpuls ook gemakkelijk detecteren kon. Met gebaren verontschuldigde Fred zich bij Lejah. Zijn gezicht toonde een schuldige grimas. Kennelijk vond hij zichzelf een stomme idioot.     

 

Een minuut of tien bleven de verkenners doodstil zitten. Toen roerde Fred zich, en stond langzaam op. Tegen Lejah zei hij: “Ik geloof niet dat er iemand of iets is, anders hadden we nu toch wel iets moeten merken.” Lejah stond nu ook op haar voeten. Zij vroeg: “Wat denk je, zullen we nu maar een volledige radarscan doen?” Fred stemde in, en scande enige seconden het gebied onder de heuvel. Toen gingen ze weer op hun hurken zitten om het verkregen beeld te bestuderen. Dit bleek uitermate verontrustend te zijn. Lejah en Fred zagen een object wat op een klein ruimteschip leek. Het bladerdek van de jungle had het voertuig inmiddels aan het oog onttrokken. Het schip lag waarschijnlijk ondersteboven in het oerwoud. Uit het schip bungelde drie gestalten. Fred zei met een gespannen stem: “Dit lijkt me geen aards schip!”   

Lejah zei: “Drie lijken vermoedelijk. Is het schip neergestort?” Fred gebaarde dat hij dat ook niet wist. Hij opperde een idee: “Inderdaad lijken de gestalten dood te zijn. We wachten nog een paar minuten, dan maken we nog een scan. Dan leggen we de beelden overelkaar. Als we geen verschuivingen zien, is jouw stelling dat het hier om overleden wezens gaat, inderdaad redelijk te noemen.”  Na een paar minuten voerde Fred wederom een scan uit. Hij kwam daarna terug, en ging naast Lejah zitten. Gezamenlijk bekeken ze de beelden.  Fred zei: “Nog geen millimeter verschoven. We kunnen er veilig vanuit gaan dat die lieden morsdood zijn.” Hij krabde zijn achterhoofd en zei toen: “Laten we die plek eens nader bekijken.” Lejah antwoordde: “Goed idee. Ik informeer eerst de commandant over de huidige situatie.” Fred keek verbaasd: “Waarom zou je dat doen? Verkenners worden immers in staat geacht om geheel zelfstandig te kunnen optreden.” Lejah antwoordde daarop dat ze toch liever had dat de Galactus op de hoogte was van hun huidige situatie en van hun plannen. Bovendien waren ze al uren weg. Hierop wandelde Lejah terug naar de sloep, en schakelde de communicator in. Na een korte tijd kreeg ze verbinding met commandant Trebbie, en Lejah vertelde wat de verkenners tot nu toe gezien hadden. Commandant Trebbie zei: “Heel goed dat je dit eerst tegen mij aanhoud! Een verbazingwekkende situatie! Zoals ik uit je woorden begrepen heb, zijn die wezens inderdaad vermoedelijk dood. Doen jullie je onderzoek maar. Maak ook een paar filmpjes voor onze wetenschappers. Maar raak niets aan, en neem verder beslist geen risico’s!”

 

Een paar minuten later stonden Fred en Lejah bij het vreemde schip. Het was reeds donker, maar via hun nachtkijkers konden ze genoeg details zien en filmen. Fred wees naar het schip en zei: “Definitief geen aards modelletje.” De verkenners liepen toen rond het schip, totdat ze bij de drie dode wezens waren. Hier hielden ze halt, en bekeken dit uiterst macabere tafereel. Uit een koepel hingen drie dode wezens. Ze hadden een reptielachtige huid en hoofd. Verder hadden ze wel twee armen en twee benen, en hierdoor was er wel enige gelijkenis met een mens. Fred sprak met ontzag: “Sodeju! Wie weet zijn dit wel collega’s van ons, en zijn het ook verkenners.” Lejah vroeg zich af waardoor de wezens dit onfortuinlijke lot hadden getroffen: motorpech misschien? De verkenners liepen verder rond het schip, maar konden geen directe oorzaak van het ongeluk vinden. Lejah zei: “Laten we terugkeren naar de sloep, en vertrekken.” Fred ging akkoord. Toen ze weer in de sloep zaten, schakelde Lejah de motoren in, maar er gebeurde niets. Ze probeerde het nog eens. De motoren sloegen niet aan. “Hé Fred…”, en abrupt hield ze haar mond. Fred was nog in gedachten verzonken en draaide zich langzaam om Lejah te woord te staan, en ook hij verstijfde. Wat de verkenners op dat moment zagen, tartte alle voorstellingsvermogens. Een drietal lichtgevende wezentjes zweefde door de romp van de sloep, zonder dat dit zichtbare schade aan de romp met zich meebracht. Het waren hele dunne creaturen met ledematen die je armen en benen zou kunnen noemen. Op dat moment zweefde het drietal bewegingsloos, en zaten blijkbaar Fred en Lejah te observeren. Lejah vroeg met een schril stemmetje: “Fred, zie jij dat ook, of ben ik gek aan het worden?” Na enige aarzeling antwoordde Fred: “Je doelt hier mogelijk op onze drie gasten? Ja, die zie ik ook!”  Plotseling zweefde het middelste wezentje, een halve meter voorwaarts. Of het nu telepathie was, of een ander verschijnsel, maar zonder dat er geluid was, namen Fred en Lejah allebei het volgende in hun beleving waar.  Het wezen sprak tot de verkenners de volgende woorden: “Wij hebben jullie brein gepeild, en alle essenties zijn ons bekend. Wij kennen zowel het doel als de oorzaak van jullie bezoek. De planeet kan niet in aanmerking komen voor kolonisatie door jullie ras.” Nu pauzeerde het wezen, alsof hij de woorden bij de verkenners wilde laten bezinken. Lejah probeerde een antwoord te bedenken. Na een kort moment zei ze: “Onze handelingen worden bepaald door een eenvoudig protocol: indien een wereld reeds door een intelligentsia bevolkt wordt, zullen wij ogenblikkelijk vertrekken.” Het wezen zei: “Ja Lejah, wij zijn de oorspronkelijke bewoners, en hier wonen enkele tienduizenden van ons ras. Ik heb gepeild dat jouw woorden inderdaad waarachtig zijn, en jullie mogen nu vertrekken. Keer nimmer terug, want de volgende keer zullen wij niet zachtzinnig optreden.”  Hierop waren de drie wezentjes plotseling verdwenen. Lejah probeerde weer de startknop, en ditmaal sloegen de motoren aan. Fred klom, nog steeds ietwat beverig, in de stoel van de copiloot, gaf een diepe zucht, en zei: “Geef gas meid. Laten we er alsjeblief als een haas vandoor gaan!”

 

Een paar uur later, zaten Fred, Lejah, en commandant Trebbie aan de tafel op de brug. De commandant keek treurig. Uit het verhaal van Lejah en Fred, ondersteund door hun filmmateriaal, bleek duidelijk dat de planeet reeds bevolkt was door merkwaardige energetische wezens. Commandant Trebbie zuchtte: “We hebben geen keus! Deze prachtige wereld moeten we noodzakelijkerwijs links laten liggen. Het zij zo!”                

 

Na een goede nachtrust, ontwaakte Lejah om circa 0700 uur, lokale scheepstijd. Ze nam een douche, en in de kantine nam ze een eenvoudig ontbijt. Daarna wandelde ze naar de sportzaal, en daar werkte Lejah een programma met oefeningen af. Een paar uur later was ze weer terug in haar bunker. Ze checkte via haar terminal de positie van de Galactus. Het schip bleek nog steeds in hetzelfde stelsel te hangen. Lejah vond dat vreemd: het tweede reisdoel was toch reeds lang bekend? Wat deden ze hier nu nog? Er werd op haar deur geklopt. Het was Fred. Hij gaf eerst een vriendelijke groet, en zei toen: “We mogen onze snuitjes weer op de brug laten zien. De commandant wil ons daar hebben.”

 

In de brug, zaten commandant Trebbie, eerste stuurman Nash, navigator Minsk,  Dr. Hua en de verkenners wederom aan dezelfde tafel als voorheen. Lejah vond dat commandant Trebbie er erg vermoeid uitzag, alsof ze onlangs slecht nieuws had ontvangen.

Commandant Trebbie draaide er niet omheen. Ze sprak: “Ik heb gisteravond onverwacht contact gehad met de Galactische Raad. We hebben een probleem. Onze reis naar het tweede kandidaat zonnestelsel is door de Raad geschrapt.” De toehoorders waren hogelijk verbaasd. Een direct ingrijpen van de Raad op een bestaand vluchtplan was namelijk hoogst zeldzaam. Dr. Hua zei: “Daar moet dan vast wel een goede reden voor zijn.” Trebbie knikte. Ze sprak verder op een sombere toon: “De reden is zelfs uitermate urgent te noemen. De planeet “Vrijheid”, op zo’n 27000 lichtjaar van de Aarde en grofweg 163 graden aan de galactisch oostkant van de melkweg, heeft contact gehad met een hoog ontwikkelde technologische beschaving. Deze beschaving is kennelijk geheel positronisch van aard: kortom het zijn alleen robots met een zeer geavanceerde vorm van AI.”

Minsk zei: “Interessant, maar wat heeft dat met ons te maken?”  Trebbie antwoordde: “Vrijheid heeft gisteravond nog weten te communiceren met de Raad op Aarde. Ze hebben in een beperkte tijdsduur toch nog veel details kunnen overbrengen.” Fred vroeg verbaasd: “Beperkte tijdsduur? Waarom dat zo? Je kunt wanneer je wilt een transvac comlink starten?” Hier pauzeerde Trebbie even. Toen gaf ze antwoord: “Bij Vrijheid waren ook een drietal aardse kruisers gestationeerd van de Longa klasse. Deze zijn vernietigd, alswel alle communicatie stations rond Vrijheid. De Raad ziet geen kans meer om met de planeet  Vrijheid te communiceren. De kruisers hebben nog wel het volgende beeldmateriaal weten over te seinen.” Nu drukte Trebbie op een knop. Op het scherm aan de overzijde verscheen een dramatisch beeld. Een enorm oranjekleurig  ruimteschip met de vorm van een reusachtig kristal, hing in de ruimte. Op grote afstand van elkaar waren nog honderden, of misschien zelfs duizenden, van ditzelfde type schepen te zien. In het beeld verscheen nu de kapitein van een kruiser. Kennelijk werd het tafereel gefilmd door iemand met een draagbare camera. De kapitein sprak op paniekerige toon: “De Hunter II is zojuist vernietigd!. De energiebundels van de tegenstander braken moeiteloos door hun schild!

Toen viel het beeld weg. Lejah en de andere deelgenoten aan tafel, hadden geschokt toegekeken. Fred had hardop gevloekt. Commandant Trebbie was echter nog niet klaar. Ze drukte weer op een knop en een ander beeld verscheen. Ditmaal zag Lejah het verweerde gezicht van een oude loodsboot kapitein. Ook hij keek en sprak in een camera. Kennelijk had hij op een fikse afstand toegekeken. Hij vertelde dat drie zware Aardse kruisers moeiteloos door de indringers weggevaagd waren, en dat nu vermoedelijk de planeet Vrijheid op het spel stond. Toen vervaagde ook dat beeld. . .

Commandant Trebbie nam wederom het woord: “Er is helaas geen enkel contact meer geweest met de planeet Vrijheid, wat het ergste doet vermoeden.”

 

Nash zei bitter: “Afschuwelijk! Dit zijn blijkbaar glasharde moordenaars!” Navigator Minsk sprak: “Zulke vreemde schepen heb ik nog nooit gezien.” Dr. Hua zei tegen het groepje: “Ik heb het gevoel dat Trebbie ons nog iets belangrijks gaat vertellen.”  Trebbie knikte, Ze zei gelaten: “Zoals ik reeds eerder gezegd heb: de Raad heeft contact met mij opgenomen, en de beelden doorgestuurd die we zojuist gezien hebben. De Raad heeft ons ook een nieuwe opdracht gegeven. Ons nieuwe reisdoel is Vrijheid.” Hierop riep Fred uit: “Maar dit is een ongewapend schip! Wij zijn niks anders dan explorers. Wat kunnen wij dan uitrichten?” Trebbie beaamde dat, maar verklaarde dat de opdracht geen gevechtshandelingen inhield. Ze zei: “We moeten proberen contact op te nemen met dat robotvolk, en op de een of andere manier moeten wij proberen om een grootschalige oorlog te vermijden. Ik denk dat we hierbij al onze creativiteit en vernuft hard nodig zullen hebben.”

 

 

7.

 

Inmiddels was de Galactus al een dag of twee onderweg naar de planeet Vrijheid (of wat daar nog van over was). De Galactus had hierbij al een drietal hypersprongen uitgevoerd, en was momenteel nog maar 3000 lichtjaar verwijderd van het doel. Lejah en Fred waren de afgelopen dagen veelvuldig op de brug geweest. Er heerste een sombere stemming op het schip. Iedereen was onzeker, en allen vreesden dramatische ontwikkelingen die aanstaande waren.

Op een zeker moment was Lejah alleen op de brug, tezamen met eerste stuurman Nash en navigator Minsk. Commandant Trebbie had de laatste dagen erg veel werk verzet, en had aangekondigd een paar uur rust te nemen. Lejah was erg blij met die beslissing, want haar commandant was overduidelijk extreem vermoeid, en leed ook zwaar onder de verantwoordelijkheid waarmee de Raad haar een paar dagen geleden belast had.

Minsk was op dat moment druk bezig met de computers, om te berekenen wat voor soort hypersprong de meest efficiënte weg zou opleveren naar Vrijheid.

Nash was in een gesprek met Lejah verwikkeld over de beste politiek om de robots te benaderen. Lejah zei: “Hoe dan ook, we moeten iets van een plan hebben voordat we de robots tegemoet treden. Nash gromde: “Ik ben er heus niet gerust op. We hebben te maken met bikkelharde moordenaars. Misschien schieten ze ons wel direct aan flarden op het moment dat wij onze neus om de hoek steken. We hebben immers gezien hoe agressief ze zijn.”  Lejah antwoordde: “We weten gewoon niet hoe dat volk psychologisch in elkaar steekt. Er moet toch een reden zijn geweest voor die vijandelijkheden?”  Kort tevoren was ook Dr. Hua de brug opgekomen, en had de opmerkingen aangehoord. Hij mengde zich in het gesprek: “Alle automaten, zelfs de allercomplexe AI, hebben inderdaad altijd een reden voor hun handelswijze. Maar zo’n reden zou zelfs, hoe ver gezocht het ook moge lijken, een corrupt stukje programmatuur kunnen zijn, welke hun momenteel dwingt om de mensheid te vernietigen. ” Nash gromde en zei: “Bah, je doet het klinken alsof ze door de Duivel zelf zijn gezonden!” Dr. Hua haalde zijn schouders op en verklaarde: “Iedere theorie is op dit moment net zo goed als iedere andere theorie. We moeten op dit moment gewoon niks uitsluiten. Zelfs jou duivel niet, hoewel deze in dit geval best een intelligentsia zou kunnen zijn die simpelweg een enorme horde robots erop uit heeft gestuurd.”    

Lejah vroeg aan Dr. Hua: “Heeft u, of iemand van uw wetenschappelijk team, enig idee hoe we een initieel contact met de robots kunnen maken?” Dr. Hua keek triest en zei:

“Het spijt me, wij hebben vooralsnog ook nog geen enkel idee.”

Minsk kwam toen aanlopen. Hij keek het groepje aan en zei: “De computers zijn er uit. Ik heb de beste route gevonden. We wachten nog op commandant Trebbie om haar orders aan te horen.” Commandant Trebbie kwam vrijwel op datzelfde moment de brug op. Tegen Minsk sprak ze: “Ik heb het gehoord Minsk. Breng ons er maar heen.”

 

Een aantal uren later, was iedereen verzameld op de brug. De Galactus stond namelijk op het punt de hyperruimte te verlaten.

Hoewel Lejah nog maar nauwelijks begonnen was aan haar carrière van verkenner, maakte ze nu al dircet één der grootste drama’s der menselijke geschiedenis mee. Toen de Galactus weer terugkeerde in het normale ruimte-tijd continuüm, was het schip slechts enkele lichtminuten verwijderd van de plaats waar de planeet Vrijheid zich had moeten bevinden.

Een vreselijke psychologische schok voer door de gehele bemanning: de planeet Vrijheid bestond niet meer. Een wazige stofwolk, vol met brokstukken, was wat nog restte van de planeet. Fred greep in ontzetting naar zijn hoofd. Commandant Trebbie stond zichtbaar te trillen. Alle andere bemanningsleden kreunden in puur afgrijzen. Tienduizenden kolonisten hadden immers de dood gevonden. De mensheid was hier geconfronteerd geweest met een afgrijselijke tegenstander. Dr. Hua hervond als eerste zijn balans. Hij wees naar het grote projectiescherm en sprak met luide stem: “Kijk! Ze zijn er nog!”

Het was waar. Talloze van deze vreemde kristalvormige schepen waren nog in de buurt. Lejah liep naar de radar. Ze was even bezig met een toetsenbord, en zei toen tegen commandant Trebbie: “Er zijn in totaal precies 1024 van die schepen binnen radarbereik.”  Fred sprak, meer tot zichzelf dan tot de anderen: “Waar komen die pokkedingen toch vandaan? Waarom zijn ze nooit eerder gezien?” Minsk, de navigator, kwam naast Lejah staan. Ook hij bestudeerde het radarscherm. Met een bleek gezicht richtte hij zich tot de commandant: “Ze hebben ons kennelijk ook in de gaten. Ze komen onze kant op!”

 

Inmiddels hadden de kristalvormige schepen zich allemaal in de buurt van de Galactus geposteerd. Lejah vervalde in een intens nadenken. Binnen haar brein gierde het van verschillende denkbeelden en hypotheses. Echter een paar thema’s bleven in haar gedachten hangen: “Waarom precies het aantal van 1024 van die kristal schepen? Dat is een waarde die ook binair een betekenis heeft. Binair? Repliceerde deze machines zichzelf soms?”  Ze hield een tweetal ideeën vast in haar gedachten.

Lejah had ook continue geworsteld met de vraag hoe ze met die positronische wezens zou kunnen communiceren. Ook het wetenschappelijke team had er geen antwoord op gevonden.  Plotseling dacht Lejah het te weten! Ze wenkte verhit naar Dr. Hua. Hij kwam daarop inderdaad meteen naar Lejah toelopen. Commandant Trebbie, die de opwinding van Lejah ook had opgemerkt, stapte direct achter hem aan. Dr. Hua vroeg: “Ja Lejah, wat is er dan?” Lejah vroeg: “Heeft u iemand in uw team, die absoluut blindelings, echt zo uit zijn hoofd bedoel ik..., binaire morse kan ophoesten? Mogelijk kunnen we dan via radarpulsen communiceren met het positronische volk!”  Dr. Hua sloeg zichzelf met een vlakke hand op zijn voorhoofd, en zei: “Geniaal! Ik begrijp waar je heen wilt. Ja, dat moet Sjau wel kunnen. Ik ga hem meteen halen!” Een minuut later schoof Sjau aan bij de radar. Sjau was een slungelige jongen van een jaar of  25, maar was absoluut geniaal in zijn vak. Commandant Trebbie, Fred, Nash en Minsk stonden vlakbij, en keken toe. Nash vroeg: “En nu?”

Lejah zei: “Sjau, stuur ze in digitale vorm maar een pulsserie van de eerste tien priemgetallen.En doe dat naar alle 1024 schepen”  Terwijl Sjau aan het werk toog, riep Fred: “Aha! Je probeert ze aan het babbelen te krijgen. Nu snap ik het!” Lejah antwoordde niet, maar riep tegen de navigator: “Minsk, nu heb ik jou en je computers nodig!” Ook Minsk kwam haastig aanzitten, en keek Lejah vragend aan. Lejah wees op een radarscherm, en zei: “Hier zien we de reflecties van Sjau’s signalen. Het beeld is zelfs nog scherper dan ik gehoopt had. Zie je bijvoorbeeld van dat schip..”, en nu wees Lejah op een heel specifieke locatie van een willekeurig robotschip, “hoe die hoek abrupt afbuigt en dan daar weer precies 60 graden doorloopt?” Minsk knikte: “Ja inderdaad. Bijzonder eigenaardig. Maar ik heb geen idee waar je heen wilt!”  Lejah vroeg: “Kunnen jouw computers, van alle robotschepen nauwkeurig die posities bijhouden en doorschakelen naar de pulsradars?”  Minsk keek vragend naar commandant Trebbie, die antwoordde: “Minsk, doe het gewoon maar.”  Nash had het allemaal gevolgd, en zat diep te peinzen. Opeens verscheen op zijn gezicht een blije glimlach. Zijn ogen begonnen te glunderden. Hij riep lachend uit: “Nee Lejah, dat kun je niet menen!”   

Lejah trok bijna Sjau van zijn stoel, en ging zelf voor het bedieningspaneel zitten. Ze stelden de pulsradars in op het maximale vermogen welke ze leveren konden. Ze riep: “Minsk, hoever ben je?”

Minks gebaarde dat Lejah nog even geduld moest hebben, en zat woest op zijn toetsenbord te kloppen. Toen veerde hij plotseling op, en keek naar Lejah. Hij riep op luide toon dat hij klaar was. Lejah gilde bijna haar vraag: “Echt alle 1024?”. Minks knikte. Lejah draaide zich nu naar commandant Trebbie. Ze hield haar hand op de knop die de pulsradars simultaan op maximaal vermogen zou laten afgaan. Nash lichtte toe: “Die duivels slimme rakker heeft die rotrobots een poosje aan het lijntje gehouden, en staat nu op het punt ze tot sterrenstof te vermalen!” Commandant Trebbie stond er verbluft bij, en begreep er niets van: “Maar hoe dan?” Nash lachte: “Deze duivels hebben immers een perfecte kristallaire vorm. Denk eens aan een diamantair die met een klein klapje een keiharde diamant weet te klieven. Het moet wel precies op de juiste plaats gebeuren.Dat wel! En dat heeft onze geniale jonge verkenner al uitgedokterd. En als Minsk zijn werk ook goed gedaan heeft zou ik zeggen: gaan met die banaan.”  Fred riep: “Maar hoe kan dat? Dat kan toch nooit kloppen! Het meisje is niks anders dan een advocate geweest!” Nash keek verstoord richting Fred, en zei bars: “Maar dan wel de advocate der Galaxy!” Nash keek met een dwingende blik naar Lejah: “Druk in godsnaam op die knop!”  Lejah echter, wachtte op Trebbie. Trebbie haalde diep adem en knikte naar Lejah. Daarop liet Lejah haar hand op de knop vallen.  

 

Een paar uur later had commandant Trebbie een inter-vacuum comlink met de Galactische Raad tot stand gebracht. Ze rapporteerde dat een geniale verkenner met de naam Lejah Missou alle vijandelijke robotschepen in één klap vernietigd had. Kort daarop had het bericht zich door de Aardse Federatie verspreid, en vrijwel alle nieuwszenders op de 156 bewoonde planeten hadden het over het tragische verlies van de planeet Vrijheid, en over de fenomenale overwinning op de robotschepen door het handelen van de jonge Lejah Missou. De zenders toonden daarop altijd enige foto’s van een knappe jonge vrouw, die met een onschuldige blik de wereld in leek te kijken.

 

In San Fransisco zaten Anaka, Niomi en Jimi naar het nieuws te kijken. Niomi was toevallig op bezoek. Zowel Niomi als Anaka konden geen woord uitbrengen. Jimi had hoofdschuddend gelachen. Hij stond op en liep naar een kast. Uit een laatje haalde hij een dure sigaar, en stak deze aan. Hij ging buiten op de veranda in een stoeltje zitten. Genietend zat hij zo een tijdje te puffen: “Nee, hij had het altijd al geweten. Met Lejah viel niet te spotten.”